Gastcolumns

Op een mooie nazomerochtend, rijd ik richting Loppersum voor een afspraak bij de tandarts. Het is zo’n dag dat je voelt dat de herfst in aantocht is, maar dat de zomer zich niet zomaar gewonnen geeft. De zon is in al zijn kracht aanwezig, maar hangt zeer laag boven de landerijen. Vanaf de Eemshavenweg neem je normaal gesproken de afrit Middelstum/Stedum/Loppersum, maar deze is afgesloten, naar later blijkt door een ongeval. Aangezien ik op de een of andere manier altijd alles net te krap plan, schiet ik enigszins in de stress omdat ik door moet rijden naar Garsthuizen om daar achterlangs bij de plek van bestemming te komen. Ik rijd het pittoreske dorpje binnen en net als er door mijn hoofd schiet: ’Hallelujah, ik zie geen hand voor ogen’, komt mijn auto met een enorme klap tot stilstand. Het voelt alsof hij ergens bovenop hangt. Compleet verdwaasd over wat er net gebeurd is, stap ik uit. Een tegenligger is ook gestopt en vraagt vriendelijk of het goed gaat. Op datzelfde moment komt een mevrouw uit een huis naar ons toe gelopen. ‘Laat me raden, jij zag vast niks meer door de laaghangende zon?’ ‘Huh, dat klopt, maar hoe weet u dat?’, antwoord ik verbaasd. ‘Nou, gisterochtend gebeurde exact hetzelfde met een andere auto, ik heb toen de gemeente gebeld dat dit niet goed komt’, antwoordt de dame. Enigszins bekomen van de schrik, kijk ik eens beter waar mijn auto bovenop is geknald. Hij hangt boven op een behoorlijke betonpaal, die daar blijkbaar staat om een wegversmalling aan te geven, maar die dus totaal niet zichtbaar was. Het gaat al door mijn hoofd dat ik de ANWB moet bellen om hem eraf te laten slepen en dat die hele auto vast total loss is, maar besluit om eerst maar eens te kijken of ik hem nog kan starten. Mijn negentien jaar oude Volvo start zonder tegensputteren. Vanaf het begin af aan noem ik hem al liefkozend  ‘De Tank ’ en hij doet vandaag zijn naam weer eer aan. Hij gaat zo achteruit en na een wat schrapend geluid aan de onderkant staat hij achter de betonpaal die door hem geveld is. Aan de onderkant lijkt alleen wat staal verbogen en er zit een scheur in de bumper. Ik bedank de aanwonende mevrouw en de meneer die in de tegemoetkomende auto zat en zeg dat ik ook contact op zal nemen met…
De onrust in mijn lijf wordt met het wikken en wegen groter en groter. In mijn hoofd springen de hersenen van het ene op het andere been. En in rap tempo. De ene gedachte overspoelt de andere, waarna de eerste terugkomt in een nog grotere hersengolf. Het is maandagmorgen even na tienen. Het hele weekend was al een rollercoaster aan hersenspinsels en nu stuwen de gedachten het bloed in de aderen. De ringtone van mijn mobieltje slaat een bres in de maalstroom van gevoelens. Het is mijn broer. Het gesprek duurt dik twee minuten. Met mijn laatste woorden ‘Ja, komt goud’ op zijn ‘Komt goud’ verdwijnt de twijfel en keert rust en zekerheid terug in mijn hoofd en lijf. We gaan het gewoon doen. Ik kruip achter mijn laptop, schrijf in één ruk een brief en even na half twaalf stuur ik een mail met motivatiebrief en bod naar de makelaar. Even na enen mist Mien een telefoontje van de makelaar omdat ze in een belangrijke bespreking zit. We denken omdat het telefoontje zo snel komt dat we het niet zijn geworden. Hoop doet leven. Om tien over half twee belt de makelaar andermaal naar Mientje en niet naar mij omdat hij mijn nummer niet heeft. Deze keer kan ze wel opnemen. Het hoge woord komt eruit. ‘Het is van jullie…’ In een tijdsbestek van 3,5 uur zijn Mien en ik plotseling de eigenaar van een nieuw huis. Euforie en verbazing tegelijk. Appjes vliegen in recordtempo richting familie. Wij zijn zomaar de nieuwe bewoners van de Toornwerderweg in Toornwerd. Wij hebben ons droomhuis gevonden. En dat terwijl we in eerste instantie niet eens meer terecht konden op de kijkdagen, zoveel belangstelling was er. Dankzij een afmelding vanwege de griep mochten we alsnog naar de bezichtiging. Het moest kennelijk zo zijn. Het statige huis heeft sfeer, karakter, ruimte, vergezichten en meer dan 150 jaar geschiedenis en staat in Toornwerd, maar zij zeggen op Doord. Voor wie het niet kent; Doord ligt op het Hogeland onder de rook van Middelstum aan de boorden van het Boterdiep, op schootsafstand borg Ewsum en naar het noorden Kantens. Toornwerd is een pittoresk schilderachtig wierdedorpje. Nou ja, half wierdedorpje dan, want de wierde is in de 19e eeuw deels afgegraven om de arme Drentse zandgrond te bevruchten. Met een stuk of wat huizen en minder dan een handvol boerderijen heeft het slechts drie straatjes: Toornwerderweg, W.…
Nou daar zijn we dan, even in andermans schoenen staan. Al enkele jaren schrijft mijn moeder elk jaar getrouw een column voor Bert, over haar avonturen, haar werk en soms over dingen die wel erg dichtbij komen. Net zoals mijn moeder werk ik in de zorg, eerst als een soort Assepoester, met mijn schoonmaakkar over de afdeling. Een doekje hier, een gesprekje daar, de veger erdoor en met de dweil erachteraan. Ik was zeventien, had geen idee wat ik wilde gaan doen ‘wanneer ik later groot ben’. Eerst maar aan het werk, ontdekken wat ik leuk vind, wat mijn plekje was en dan… Tijdens de opleiding tot verpleegkundige kreeg ik de opdracht om te gaan observeren.  Lichtelijk in paniek belde ik mijn moeder met de vraag: ‘HOE doe ik dat?’ Haar antwoord stelde mij gerust: ‘observeren doe ik altijd, overal, vaak onbewust.  Bijvoorbeeld ik kom bij één van ‘mijn’ mensen binnen, dan luister ik, ik kijk, ik ruik, ik groet en krijg een reactie waar ik weer informatie uit haal. Oftewel ik observeer altijd en overal. En die observatie koppel ik aan mijn opgedane kennis, kunde én mijn gevoel.’ Inmiddels ben ik zes jaar verder, heb al verschillende zorgopleidingen achter de rug en ben bezig met de volgende. Na enkele jaren te hebben gewerkt met mensen met dementie, ‘mijn’ mensen die mij niet meer herkennen na een paar vrije dagen, ben ik in september begonnen op een revalidatiecentrum. Hier herkent men mij wel na een paar vrije dagen, wordt er gevraagd hoe dat ene tentamen ging, hoe de kerstmarkt in Duitsland was en word ik direct op de hoogte gebracht van alle perikelen die zich de afgelopen dagen op de afdeling hebben voorgedaan. Ook deze sterk wisselende groep met mensen, zijn allemaal toch een beetje ‘mijn’ mensen geworden. Waar ik bij mensen met dementie voornamelijk moest werken op gevoel, met mijn theorie en kennis in mijn achterhoofd is dat op mijn huidige afdeling anders. Eerst mijn theorie en kennis toepassen en daarna pas het gevoel een beetje de ruimte geven. Deze manier van zorgen was in het begin onwennig, ik was natuurlijk ook weinig anders gewend, maar heeft mij ook het inzicht geboden dat ik juist graag met mijn gevoel werk. Het écht leren kennen van mensen, doen wat het best passend is zonder hierbij voorbij te gaan aan afspraken maar toch de ruimte hebben om te doen wat goed…
De sneeuw dwarrelt voor de ramen, als ik mij achter mijn laptop heb gezet voor mijn jaarlijkse column voor deze website. Deze mooie witte wereld levert altijd schitterende plaatjes op. En zo naar buiten kijkend, begint het al wat te kriebelen. Het jaar 2026 is inmiddels alweer een dikke maand aan de gang. En wat voor een jaar staat ons te wachten op het gebied van sport. Met in 1 jaar de Olympische  Spelen en het WK voetbal als grote evenementen. Als deze column uitkomt is het nog een paar dagen voor de ceremonie van de Olympische Spelen begint. Maar liefst 38 sporters zijn er namens Nederland actief in Italië. We hebben een bobsleeënde advocaat in zowel de twee- als in de viermansbob. En er zijn zelfs medaillekansen. Hoe uniek zou dat zijn. Ook op een sleetje zijn er kansen voor Kimberly Bos op haar skeleton. Een mooie ontwikkeling is dat Nederland in de breedte in steeds meer disciplines actief is. Het gezelschap heeft zelfs nog wat snowboarders en een kunstrijpaar. De vraag is met hoeveel medailles we terug naar Nederland komen. Chef de Mission Carl Verheijen denkt dat 10 gouden medailles haalbaar is. Hopelijk zijn de mannelijke schaatsers opgewassen tegen de Amerikaanse gigant Jordan Stolz, die op 4 onderdelen de grootste kanshebber is voor goud. Op de langere afstanden wordt het ook een lastig verhaal, maar misschien kan onze Groninger Marcel Bosker voor een stunt zorgen. Bij de vrouwen liggen de kaarten wel anders. Met Femke Kok en Jutta Leerdam op de korte afstanden en Antoinette de Jong, Joy Beune en Marijke Groenewoud op midden / lange afstanden, zijn er veel kansen op eremetaal. Ook de shorttrackers zijn toonaangevend in hun sport. Dus ook daar verwacht ik wel wat medailles. Sowieso zijn de Spelen fantastisch om sporten te kijken die je anders nooit ziet. Voor de ultieme sportliefhebber is dit natuurlijk geweldig. Voor de niet-sportliefhebber is dit verschrikkelijk, maar die kunnen altijd nog een serie bingen op Netflix. Als de Olympische Spelen afgelopen zijn, begint het normale sportjaar op gang te komen. Met alle grote wielerklassiekers en de 3 grote rondes. Het is voor het peloton te hopen dat Tadej Pogacar en Mathieu van der Poel ook eens een keertje een wedstrijdje overslaan. Deze veelvraten zijn een sieraad voor de sport, maar nemen wel vaak veel spanning weg uit de koers. Ook de Formule 1 gaat weer van start.…
Op veel plekken zie je een beweging die ik zou willen omschrijven als ‘terug naar vroeger’. In de tijd dat mijn opa en oma veertigers waren, kwam het regelmatig voor dat een alleenstaande ouder bij je introk. Mijn opa en oma namen dat ook op zich. Hun gezin met drie kinderen breidde uit met een vader en de jongste ver nagekomen broer van mijn opa. Wat een handreiking. Ik voel een diep respect voor dit gebaar. Mijn opa en oma hadden al een vol leven. Ze runden een winkel aan huis. Overdag stond mijn oma in de winkel en ’s avonds waren er andere klussen voor het bedrijf. Hetzelfde gold voor mijn opa. De gezinstaken werden tussendoor opgepakt samen met de zorg van een vader en een broer. Zoveel te doen Vergelijk dat gebaar van mijn opa en oma met de situatie van nu. Daarbij moet je bedenken dat de omstandigheden heel anders zijn. Gemiddeld worden we steeds ouder. De periode van zorg en aandacht wordt daardoor ook vaak langer. Daar tegenover staat dat onze voorzieningen in huis er flink op vooruit zijn gegaan. Puur qua faciliteiten zou het dus mogelijk moeten zijn. Toch doen we het niet (allemaal). In veel situaties werken beide partners en is er een volle gezinsagenda zowel in huis als daarbuiten. Taken worden verdeeld en we ervaren onszelf als druk. Ook zijn er veel meer eenpersoonshuishoudens. Dat maakt het opnemen van een ouder in huis ook niet eenvoudiger. Is het genoeg? Als ik naar mijn eigen omstandigheden kijk, voel ik er -heel eerlijk- ook niet voor om een ouder in huis te nemen. Hoe lief en sympathiek ze ook zijn, en met hoeveel superlatieven in positieve zin ik ze ook zou kunnen beschrijven, ik zie het niet zitten. Omdat we het volstrekt normaal vinden, regelen we naar ons beste kunnen diverse zaken voor onze ouders. We geven ze tijd en aandacht (wat voor hen nooit te veel is), rijden voor bij medische afspraken en waar nodig ondersteunen we in huis. En dat is echt goed te doen. Maar is het genoeg vraagt dat innerlijke stemmetje vaak in mij. Het staat in geen verhouding tot wat mijn grootouders deden. Dus voor mij gaat die vlieger ‘terug naar vroeger’ niet helemaal op. Het begint met een inschrijving ‘Terug naar toen’, kan ook anders worden ingevuld. De wereld om ons heen verandert voortdurend en gelukkig beweegt de samenleving…
Als ik de jaarlijkse gastcolumn van Bé Schollema voorbij zie komen, weet ik dat ik eerdaags ook weer in de pen mag kruipen. Erg leuk! Ditmaal is de aanlevertijd iets later wat mij wel past, aangezien het aan het eind van het oude en aan het begin van het nieuwe jaar drukke tijden zijn. Als de kerstdagen voorbij zijn, staat de nieuwjaarsreceptie bij Corenos alweer voor de deur. En daarna begint het ‘gewone leventje’ weer, iets wat ik ook altijd wel lekker vind. Iets meer tijd om na te denken waar ik het over wil hebben dus. Toch vind ik het ieder jaar wel lastig om iets op papier te zetten. Er speelt zo veel in het leven, zowel dichtbij als ver weg. En wil ik een boodschap meegeven of gewoon een leuk stukje schrijven? En wie zit er nu eigenlijk op te wachten? Schrijven is toch wel echt een vak, bedenk ik mij dan elke keer weer. Ik probeer te bedenken wat mij bezighoudt en aangezien ik de columns schrijf rondom de jaarwisseling, kom ik er toch altijd op uit om zowel terug te kijken naar het afgelopen jaar, als vooruit te kijken naar wat ons te wachten staat. Dat ga ik nu dan ook weer doen. Op voorhand wil ik zeggen, dat ik een positief mens ben. Ik zie vaak de goede kanten in dingen, dat heeft mij al door vele situaties geleid. Ik blijf niet snel in gebeurtenissen hangen en zie vaak kansen. Toch moet ik eerlijk bekennen dat ik nu ook twijfel aan de ontwikkelingen in de wereld welke ons vandaag de dag bezighouden. Ik probeer mij altijd te focussen op dingen waar ik zelf invloed op heb en daarmee aan de slag te gaan. Daarmee probeer ik niet weg te kijken van iets waar ik geen invloed op heb, want zo werkt het ook niet. En als ik dan kijk naar de spanningen in de wereld, moet ik bekennen dat ik dit voor het eerst zelf ook als spannend ervaar. Niet dat het mij alle nachten wakker houdt, maar ik denk wel: ‘oei, waar gaat dit naartoe?’ Ik kan mij herinneren dat ik ooit een column schreef toen Trump voor het eerst aan de macht dreigde te komen, dat vond ik toen erg zorgwekkend. Donald Trump is bezig aan zijn 2e termijn en we zijn inmiddels jaren verder. In de tussentijd is er van alles…
Op het moment van schrijven is het 7 januari en sneeuwt het volop met een straffe koude wind. Code Oranje!! Bussen rijden niet, treinen veel minder en er wordt geadviseerd om thuis te blijven werken. Helaas zijn er veel beroepen waarbij thuiswerken niet echt lukt, en dat men wel op pad moet. Hulde aan deze mensen! Ikzelf ging gisteren op de fiets naar de tweeling. De fietspaden waren redelijk schoon, al was het wel oppassen. Helaas was de route naar school, waarvan je verwacht dat deze schoon zou zijn, niet best. Dus dat werd lopend met de bakfiets aan de hand. Toch heeft het ook wel wat, deze witte wereld. Prachtig om mooie foto’s te maken, sneeuwballen gooien, sneeuwpoppen maken, sleetje rijden. Het ziet er allemaal wat vriendelijker uit, die witte wereld. Alhoewel, een sneeuwballengevecht leidde al 2 x tot ruzie en zelfs tot de dood van een man. Bizar!!! Maar goed, het is dus wit buiten. Mijn gedachten gaan terug naar de winter van 1979. Ik zat op de lagere school, die dicht ging omdat de cv uitgevallen was. Dus kwam ik thuis met vriendinnen die thuis ook al cv hadden. Ze kwamen met mij mee omdat wij in het bezit van een gaskachel waren. Dus warmte in huis. Als ik het sneeuwboek erbij pak, dan komen er veel herinneringen naar boven. Sneeuwduinen tot het dak, ingesneeuwde woningen en de Delleweg die door militairen schoongemaakt moest worden. Als kind maakten we iglo’s, sneeuwpoppen en waren we blij dat we niet naar school hoefden. Ookal viel de stroom regelmatig uit, we maakten het toch gezellig met olielampen en kaarsen. Eén moment van stroomuitval is mij altijd bijgebleven. We keken naar Toppop met Meat Loaf zijn “Paradise by the dashboard light”. We keken met plezier totdat de stroom weer eens uitviel. Als ik dit liedje voorbij hoor komen dan moet ik altijd terugdenken aan dat moment. Wat ik ook bijzonder vond, was de ijzel van een aantal jaren geleden. IJzel op de ramen, schaatsen op straat, scholen die dicht bleven, gevaarlijk situaties. Wij hadden op dat moment een schizofrene buurman naast ons, die door deze weersomstandigheden geen medicatie en eten kreeg. Men durfde niet de straat op. Dit had behoorlijke gevolgen voor onze buurman. Hij raakte helemaal van slag, ging de straat op en schreeuwde alles bij elkaar. Zo sneu. Wij hebben dit even aangezien en het vervolgens gemeld bij thuiszorg.…
Bijna elke zondagochtend begint mijn wandeling op dezelfde plek: de Praxis aan het Damsterdiep. Niet omdat ik zo nodig een doos schroeven, een plank of een plantje wil hebben, maar omdat dit nu eenmaal het startpunt is geworden van een ritueel waar ik me de hele week op kan verheugen. Vaak alleen, maar ook af en toe met mijn zus of een vriendin. Het is december, zo’n maand waarin de stad steeds een beetje gezelliger begint te worden en alles onder een dun laagje nostalgie is gelegd. De lucht is helder, de kou trekt wat door mijn kleding en mijn jas ruikt nog vaag naar vorige winters. Met een dikke sjaal om, is het allemaal nog goed te doen. Ik loop weg van de Praxis. Vandaag loop ik niet langs het water, maar via de weg. Ik zie het vogelhuisje, althans wat er nog van over is, in de tuin staan van een oud-collega. Ze heeft het laten staan, omdat de kinderen het vroeger als herkenningspunt zagen en zodoende wisten dat het haar huis was. Even verderop kom ik langs het voormalige slachthuis. Of beter gezegd: waar het vroeger heeft gestaan. Alleen de directeurswoning staat er nog, groots en statig, alsof hij weigert te erkennen dat zijn functie allang verdwenen is. Het pand doet nu dienst als studentenhuis, wat vooral te zien is aan de verzameling Swapfietsen die als een soort moderne kunstinstallatie voor de deur staan. Allemaal in dezelfde kleur blauw of rood, shots en scheef geparkeerd. Soms stel ik me voor dat de oude directeur hoofdschuddend uit een raam kijkt en zich afvraagt waar het mis is gegaan. Het is nog rustig op straat. Ik loop verder langs het Damsterdiep en groet af en toe iemand die ik vaker tref. Geen gesprekken, hooguit een knikje of een “moi”. De kauwgomballenautomaat, die normaal gesproken vol met kleine verrassingen zit, is al leeggehaald vanwege de naderende jaarwisseling. Alsof iemand heeft gedacht: daar kan alleen maar ellende mee worden uitgehaald. Het lege glas weerspiegelt mijn gezicht even en ik zie er verrassend tevreden uit. Uit het aangrenzende café hoor ik muziek, zal FC Groningen vandaag spelen of wordt er gewoon schoongemaakt? Bij de Nieuweweg sla ik af en zet koers richting het Forum. Daar luister ik op zondagochtend vaak naar Haydn op Zondag. De muziek vult de ruimte, terwijl ik op de trap plaatsneem. Ik blijf er nooit lang, maar lang…
Daar zit je dan. Aan je eigen tafel. In je eigen huis. Hij staat anders dan eerst. De keuken is ook gespiegeld. Al een paar keer een restje uit een mok op de kookplaat in plaats van in de gootsteen. Het is ronduit gek en het begon al in januari 2018. Na een korte maar pittige verbouwing hadden we ons huis, ons thuis in Middelstum redelijk op orde. Maar er was onduidelijkheid over de bevingsbestendigheid van het geheel. Toen, 2018, leek het er nog op dat alle huizen deur voor deur aangepakt zouden worden. Er kwamen pilots en proeven. Zoals altijd om van te leren en snelheid te kunnen maken. Snelheid… Het is december 2025. We hebben ons leven geleefd. Kinderen gekregen. Beide thuis. Onder het plafond dat ik er met Meindert in timmerde. Op de vloeren die we er samen in maakten. Met licht uit de lampen die we plaatsten en aansloten. Want zo doe je dat met een eigen huis. Je koopt. Begint. En blijft bezig. Altijd wat te onderhouden of verbeteren. Maar het leven werd voor een groter deel dan ik me besefte bepaald door anderen. Wat kon wel, wat mocht niet. Wanneer krijg je meer terug dan je had en moet je dus bijbetalen. En wanneer moet het nu eenmaal anders omdat het huis “op norm” moet en daar valt niet mee te marchanderen. Het programma heette EI. Als in een afkorting voor Eigen Initiatief. Het eerste mailtje waarmee we ons aanmelden was dat. Pas aan het eind met kundige hard werkende mensen over de vloer en op kantoren van lokale ondernemers kwam dat gevoel weer terug. Maar wel altijd met een organisatie die, onbewust lijkt het, van de machtspositie die zij heeft over je schouders mee kijkt. Mee kijkt in en rond jouw huis. Wat hopelijk weer een thuis wordt. Intussen merk je dat iedereen er op zijn manier iets van vindt. Een nieuw huis in een buurt met wat we nieuwbouwhuizen noemden. De anderen inmiddels 25 jaar ouder dan die van ons. Niet omdat wij dat zo wilden maar omdat het moest. Versterken tegen de regels van toen was geen optie. Dus op de bestaande fundering nieuw. Er was feitelijk geen weg terug, dus we moesten vooruit. Intussen gaat het leven dus voort. Kinderen, andere banen. Thuiskomen in het Westerkwartier. Met toffe mensen om me heen. Grote uitdagingen maar ook kansen. In (zoals Meindert…
Ik voel eerst een voorzichtige poot in mijn gezicht en dan een snuffelende snuit in mijn oor. Pipo, zonder O, de langoorhond wil dat ik wakker word en dat is niet voor de gezelligheid. Onze trouwe viervoeter heeft de trouw zo uitgelegd dat ze ons ook ’s nachts volgt. Dat wil zeggen: bij ons op het bed ligt en immer op mijn enkels. Het is zaterdagmorgen, buiten is het pikkedonker en stil. Ik draai me om, de hond ontwijkend om terug te keren in mijn slaap. Pipo laat zich in haar honger naar het brokjesontbijt niet afschepen. Een hondenpoot trekt zachtjes de deken van mijn schouder. Mientje knort ondertussen verder alsof Pipo en ik niet op de wereld zijn. Zuchtend tik ik op de tast het ‘touchbedlampje’ op het nachtkastje aan. Pipo staat in het lampjeslicht al piepend en staartzwiebelend van blijdschap naast het bed. Slaapdronken en geen idee hoe laat het is, daal ik omzichtig de trap af. Beneden staat al een hond met blije ogen te wachten. Binnen twaalf seconden zijn de dure merkbrokjes verdwenen in de maag van Pipo. Na de waterbak in eenzelfde tempo leeg te hebben geklokt, loopt ze naar de achterdeur voor het ochtendplasje op het donker gazon. Ook dat privilege heeft Pipo zich weten toe te eigenen. ‘Nee hè’, kreun ik bij haar terugkomst. Ik ben in mijn slaapdronkenschap vergeten dat Pipo de rode vlag heeft gehesen omdat opoe op bezoek is gekomen en dus haar ‘loopsbroekje’ met inlegkruisje nog aan heeft. En dat die nu dus kletsnat van de hondenzeik is. Er zit niks anders op dan een verschoning, zodat Mientje geen weet krijgt van mijn vergeetachtigheid. Gelukkig ligt er nog een schoon broekje in de la. En als ik een kwartier later – na een worstelpartij met loopsbroekje en hond – terugkeer in bed en Pipo verschoond op mijn enkels ligt, ben ik klaarwakker. Ik zoek mijn telefoon op het overvolle nachtkastje om erachter te komen hoe laat het is en of ik er al uit moet. Er liggen zeker tien boeken op een stapel met Minnesota van Jo Nesbö als bovenste. Daar weer bovenop een telefoonlader, een zo goed als leeg flesje appelsap en een digitale koortsmeter. Ernaast ligt een strip met nog vier Strepsils erin, een flesje hoestdrank en een verkreukeld keukenpapiertje gebruikt als zakdoek. Achter het lampje nog een groene flacon Weleda, een Duits middeltje tegen spierpijn en…
Een aantal jaren geleden postte ik op 1 december een foto met deze tekst op Facebook. Het was om aan te geven dat we er een mooie feestmaand van zouden maken, zoals voor zovelen in de bedoeling ligt. Maar “het leven is wat je overkomt terwijl je andere plannen maakt”. Dat merkte ik al de volgende dag, op 2 december, toen m’n vader wegens een hartinfarct in het ziekenhuis belandde. Ook iets om je te herinneren, maar niet op de leuke manier zoals ik voor ogen had. December. Het is een bijzondere maand. Een donkere maand als je kijkt naar het aantal uren dat het licht is op een dag. Het zijn echt de donkere dagen voor kerst. Als tegenhanger is het juist ook voor velen de maand van licht en gezelligheid. Dat is wellicht ook juist wat het donker uitlokt. Duisternis vinden we niet fijn. Het maakt de wereld kleiner en enger. We verdrijven dat door licht te ontsteken: lichtjes in de kerstboom, sierverlichting in de tuin en ontelbare kaarsen worden thuis ontstoken. Tegen de verdrukking in zijn we op zoek naar licht. De verwachtingen zijn vaak hoog gespannen; december moet bij uitstek een maand zijn van gezelligheid, warme sfeer, van samen zijn en vrede op aarde voor iedereen. Je ziet het ook terug in de reclamefilmpjes op tv. Perfecte gezinnen in de meest prachtige out fits aan perfect gedekte tafels met subliem bereide diners. En velen hebben het gevoel daar aan te moeten voldoen. De decembermaand moet perfect zijn, met alleen maar mooie herinneringen om te delen en te maken. Maar we weten allemaal dat dat niet zo werkt. Want juist de decembermaand kan een maand van eenzaamheid zijn. Voor mensen die niet direct dierbaren om zich heen hebben. Voor ouderen, van wie de partner er niet meer is. Juist in deze periode kunnen oude wonden opengereten worden en kan de letterlijke en figuurlijke pijn meedogenloos zijn. En wat te denken van al die mensen die in armoede leven. Die geen geld hebben voor een kerstbrood, warme chocolademelk, een lekker stukje vlees of een oliebol. Juist voor al deze mensen is de perfecte reclame op tv en al die uitbundige folders op de deurmat een rechtstreekse confrontatie met dat wat voor hen niet mogelijk is. En dat is pijnlijk. December is ook de maand van verwachten. “Vol verwachting klopt ons hart”, dat wordt gezongen door de kinderen die…
Zwaan 1935 Ergens in de provincie Groningen Het arbeidershuisje waar Zwaan met haar ouders woonde, zuchtte en kraakte in de donkere nacht waar dit verhaal begint. Een late novemberstorm beukte tegen de muren van het krimpje. Zwaan hoorde achter de gesloten bedstededeur hoe de wind op het dak tegen de schoorsteen bulderde. Het duwde en trok aan de grote zwarte kachel in de kamer. De wereld buiten leek een zee. Golven van wind piepten door de kieren. Zwaan lag al de hele nacht wakker. Met open ogen onder een wollen deken. Ze was niet bang voor de storm, dit buitenkind. Ze piekerde. Ze hoorde de laatste tijd vaak over een probleem en soms vergaderden de vrouwen hierover in de winkels van het kleine dorp. Laatst fluisterde de bakkersvrouw in een volle winkel een heldere samenvatting van het probleem. Alle vrouwen en kinderen luisterden aandachtig. Zwaan stond vooraan. Ze kon goed horen wat de bakkersvrouw zei: ‘We leven in een donkere tijd. Er dreigt alleen maar gevaar in de wereld en zelfs hier doen de mensen onaardig tegen elkaar. Ze zijn bang voor de toekomst en ontevreden over het heden. Waar is het goede gebleven? Alle hoop lijkt verdwenen.’ Na deze redenatie liet de bakkersvrouw een stilte vallen en keek met haar felblauwe ogen plechtig de winkel rond. Je kon een speld horen vallen tussen de roggebroden en gemberkoeken. Het kan per ongeluk zijn geweest, maar ze keek Zwaan recht in de ogen toen ze zei: ’Over een maand is het kerst. We moeten op zoek gaan naar het goede in de mens.’ Dat was de reden dat Zwaan niet kon slapen in deze donkere stormnacht en precies daarom nam Zwaan een besluit. Ze glipte de bedstede uit, deed warme lagen kleren over elkaar aan en klompen aan haar voeten. De kleine lantaarn van vader stond bij de voordeur. Voordat ze in de donkere stormnacht verdween legde Zwaan een briefje op het geborduurde tafelkleed: ’Ik ga een poosje weg. Niet bezorgd zijn hoor. Dag lieve ouders.’ De zon leek maar niet op te willen komen toen Zwaan de volgende dag en kilometers ver van huis langs een trekpad liep. De stormwind was gaan liggen maar de wereld leek grijs en de wolken waren zwaar. Toen Zwaan even rustte, gleed er stil een trekschuit voorbij. Zwaan groette de kleine jongen die in het zeel liep en zwaaide naar de man op de…
Twee jaar geleden stapte ik die villa binnen met trillende handen, een hoofd vol vragen en een hart dat niet wist hoe het open moest. Alles in mij stond strak gespannen, alsof ik al jaren iets vast probeerde te houden dat allang losgelaten wilde worden. De retraite die we met Dromen, Durven, Doen organiseerden in het mooie Portugal, was toen niet alleen een veilige plek voor de vrouwen die kwamen, het werd ook mijn eigen startpunt. De eerste barst in mijn pantser. De eerste keer dat ik voelde: ik ben iets aan het afpellen, en er komt íets van mij tevoorschijn. Nu, twee jaar later, loop ik opnieuw dat pad naar dezelfde villa. Maar dit keer voelt het anders. Alsof mijn voeten de weg herkennen nog voordat mijn hoofd beseft dat ik er ben. Het voelt als thuiskomen, niet alleen op die plek, maar in mezelf. Dat betekent niet dat er geen spanning was; die blijft trouw terugkomen, vooral als ik workshops geef. De oude twijfels fluisteren nog steeds: kan ik dit wel? Ben ik genoeg? Maar zodra ik begin, gebeurt er iets. Een soort rust. Een vertrouwen waarvan ik niet wist dat het al in mij woonde. Het is nieuw, maar ook vertrouwd. Alsof het altijd al in me zat en nu pas naar voren durft te komen. Tijdens een Dromen, Durven, Doen inspiratiesessie, schreef ik een brief aan m’n jongere zelf. Een brief die ik twee jaar geleden nooit had durven schrijven. En precies daar, op die plek, voelde ik dat de cirkel rond was. Dat wat ooit het begin was van zoeken, nu voelde als vinden. Niet af — dat nooit — maar wel afgerond. Een hoofdstuk dat zich sluit, omdat een nieuw hoofdstuk klaarstaat. Misschien kwam dat gevoel ook door die onverwachte periode in april, waarin het leven me even keihard stilzette. Toen ik om de haverklap oogmigraines kreeg, heen en weer reizen naar Nederland ineens met verplichte overnachting moest, en mijn energie zó ver beneden nul zakte dat middagdutjes geen luxe waren maar noodzaak. Ik wilde vechten, zoals ik altijd doe. Ik wilde niet stilvallen, niet toegeven. Maar mijn lichaam trok de rem aan en zei: genoeg. En dus moest ik luisteren. Overgeven. Loslaten. Accepteren dat weerstand me alleen maar verder uitputte. Dat was niet makkelijk, niet fijn, maar wel nodig. Ik heb het op de harde manier moeten leren: dat rust geen zwakte is.…
Lekker belangrijk, kun je denken. En deels is dat ook zo, behalve dat ik hierdoor eindelijk ben waar ik wil zijn. Of misschien beter gezegd: ik heb nu eindelijk de papieren om te kunnen zijn wie ik altijd al was. Door het behalen van mijn Social Work-diploma met aantekening GGZ-agoog kan ik nu zeggen dat ik behandelaar ben bij Terwille Verslavingszorg. Mijn droom, die gaandeweg de afgelopen jaren ontstaan is, is bereikt. Ik ben daar waar ik wil zijn. “Wat doe jij dan voor werk?” Je kent het wel: een vraag die vaak gesteld wordt wanneer je bijvoorbeeld weer eens in een oer-Hollandse kringverjaardag bent beland. Een makkelijke vraag als je timmerman bent of buschauffeur. Iets ingewikkelder voor mij. Want wat dóé ik eigenlijk? Het korte antwoord is dat ik werk als behandelaar bij een beschermd wonen opvang voor vrouwen. Dit dekt alleen niet helemaal de lading. Eigenlijk ben ik: vertrouwenspersoon, taxichauffeur, begeleider, administrateur, behandelaar, roostermaker, etc., etc.. Maar wat ik vooral doe, is mezelf zijn. Ik heb de eer om naast kwetsbare vrouwen te mogen staan, om hen te mogen begeleiden op weg naar hun herstel. Hierbij bepalen zij welke richting we nemen. Ik fungeer soms als wegwijzer, soms als praatpaal, maar zij bepalen altijd welke kant we opgaan. Ik mag een stukje met ze optrekken, van ze leren en zij (hopelijk) ook van mij. Ik mag meekijken en soms een stukje meevaren op de woelige wateren waarin zij zich bevinden. Soms mag ik het anker zijn waaraan ze zich kunnen vasthouden. Soms denken ze dat ik de boei ben die verderop drijft, om later te ontdekken dat zijzelf deze boei al die tijd waren. Ik mag ze handvatten geven waarmee ze het leven tegemoet kunnen gaan. En ik mag vooral op mijn handen zitten wanneer dat nodig is. Ieder mens heeft recht op een menswaardig bestaan. Ieder mens heeft recht op zelfbeschikking — vanuit mijn mond ook wel ‘eigen regie’ genoemd. Zelf keuzes maken, zelf fouten maken, jezelf opnieuw ontdekken. Ik heb het voorrecht dit iedere dag opnieuw te mogen zien. Soms gaat het met vallen en opstaan, soms kabbelt het mee op de golven. Bijna nooit is het een rechte lijn. Herstellen gaat met vallen en opstaan; soms doe je vier stappen voorwaarts en daarna weer drie achterwaarts. Het is het leven op zijn mooist. Want zeg nou eens eerlijk: anders zou het toch ook maar saai…
In 2014 waren wij (echtgenoot Henk, dochter Sacha en ondergetekende) op zomervakantie in Corcieux. Corcieux is een gemeente in het Franse departement Vosges in de regio Grand Est. Het was die dag wat minder weer en we hadden gezien dat je daar een grot kon bezoeken dus dat leek ons een uitstekend idee… Bij het plaatselijke museum kon je een grottentocht reserveren en dat deden we (toen nog) vol enthousiasme. We moesten ons een uurtje later melden bij de gids en zouden dan een mooi en spannend avontuur tegemoet gaan. Op het afgesproken tijdstip meldden wij ons bij de gids en keken toen verbaasd om ons heen. We hadden verwacht dat er meer mensen zouden komen en dat we deze tocht met een groep zouden doen. Niets was minder waar. Waarschijnlijk waren wij die dag de enige belangstellenden en de gids kwam alleen voor ons opdraven. Nou, ook prima, alle aandacht voor ons nietwaar? Na een zware klimtocht over een zeer steil en vooral glad pad kwamen we buiten adem aan bij de ingang van de grot. Dit hadden we gelukkig gehad, de weg terug kan alleen maar makkelijker gaan, dachten wij zo. We kregen regenlaarzen, een regenjas en een helm met een lamp er op. Helemaal klaar voor de grote avontuurlijke reis, net echt. Op dat moment hadden we nog veel lol samen. We traden de grot binnen op weg naar een onvergetelijk avontuur. De gids was een zeer vriendelijke jongeman die ons veel en uitgebreid uitlegde. Dit alles in het Engels met een zacht Frans accent. De ruimtes in de de grot waren zeer smal en vooral erg laag. Met name mijn lieve echtgenoot (van 2 meter) had hier ‘wat’ moeite mee. Daarnaast liepen we door een aantal decimeters water. Maar niet zeuren, je moet er wat voor over hebben en bovendien waren we er tenslotte op gekleed. Er staat ons vast iets unieks te wachten en bovendien is er altijd wel weer licht aan het eind van de tunnel, zullen we maar zeggen. Een ervaring voor het leven, nou dat werd het zeker… De gids stopte af en toe om ons weer te voorzien van nieuwe informatie. Henk stond dan als een soort gebochelde van de Notre Dame met zijn gebogen hoofd tegen het plafond van de grot aandachtig te luisteren/wachten en hopen/bidden dat we gauw weer verder zouden mogen lopen. Ondertussen begonnen we toch wat last…