Gastcolumns

We leven in een wereld waarin alles snel moet. Door, door, door. Alsof stilstaan hetzelfde is als verliezen. Alsof je pas meetelt als je tempo maakt. Maar soms is stilstaan geen achteruitgang. Soms is het overleven. Ik moest daar de afgelopen jaren vaak aan denken. Vooral als ik kijk naar onze zoon. Er was een moment waarop het gewone pad van een tiener met school, een vast dagritme, hoge verwachtingen, gewoon niet meer ging. Alsof er iets blokkeerde. Niet uit onwil, maar omdat het simpelweg niet meer lukt. En wat doe je dan in een wereld die vooral vooruit kijkt? Dan voelt het al snel alsof je achterloopt. Maar wat we leerden is dat herstel zich niet laat dwingen. Dat een hoofd en een hart hun eigen tempo hebben. Dat je niet zomaar “even” terugstapt in wat was. En dat dat ook niet hoeft. Want die weg terug… die was lang. Een zoektocht van een jaar naar de juiste hulp. Naar mensen die ons begrijpen en die zien wat er nodig is. Vier keer een andere casemanager, steeds weer opnieuw beginnen, opnieuw vertellen, opnieuw hopen dat dit dan degene is die blijft. Tot er eindelijk iemand kwam bij wie het klopte. Iemand die er was…. en bleef. Onderweg vonden we ook een plek waar hij kon landen. ‘Bij Nous’ in Winsum. Een plek waar hij werd opgevangen zoals hij was, zonder oordeel, met ruimte om te zoeken en te zijn. En toen kwam er iets wat misschien niet in een standaard behandelplan past, maar wel precies was wat nodig was: kickboksen. Niet alleen om sterker te worden, maar om te leren vallen en weer opstaan. Letterlijk en figuurlijk. Om spanning kwijt te raken. Om weer iets van controle en vertrouwen terug te voelen. Geen rechte lijn omhoog. Geen snel herstel. Maar een proces van vier jaar. Vier jaar van kleine stappen, terugvallen, weer doorgaan. Van zoeken, proberen, soms twijfelen. En toch steeds weer een beetje vooruit. Hij vond zijn weg niet terug op school. Niet zoals het hoort. Maar langzaam, stap voor stap, vond hij wel weer een plek in de wereld. In werk. In ritme. In kleine stukjes vertrouwen die terugkwamen. Dus bij ons geen grote sprongen en geen snelle oplossingen. Maar iets dat misschien nog wel waardevoller is: echte en stabiele groei. Waarbij hij een weg heeft gevonden in de horeca, waar hij inmiddels een contract heeft. Waar…
De merels fluiten. De zon komt op. Het belooft een prachtige dag te worden. Er komen weer blaadjes aan de bomen. Er bloeit ook al het één en ander. De kracht van de natuur is indrukwekkend. Elk jaar die oerkracht die alles weer groen maakt en laat groeien. Half januari lijkt alles zo goed als dood. Maar je weet altijd: de lente komt. Dan ziet alles er weer heel anders uit. Het is bijna Pasen. Ik heb jaren in de ouderenzorg gewerkt en in gesprekken met bewoners ging het regelmatig over tradities en gebruiken uit hun jeugd. Dat de kachel niet meer aan ging na Pasen, de voorjaarsschoonmaak was gedaan en men wilde niet opnieuw roet in huis. En de meisjes mochten met Pasen nieuwe kleren aan, met witte sokken. In beide gevallen werd geen rekening met de temperatuur gehouden. Pasen kan in maart of april vallen en in beide gevallen kan het of 15 of 8 graden zijn. Pasen kun je op twee manieren zien. Gelovigen, zoals ik, herdenken met Pasen de opstanding van Jezus, die op de derde dag na zijn kruisiging tot leven kwam. Dit moment markeert voor ons het geloof dat de dood niet het einde is, maar het begin van een nieuw leven. Anderen vieren Pasen als een echt lentefeest, waarbij paaseieren worden gezien als een symbool voor vruchtbaarheid en nieuw leven. Hoe je er ook aandacht aan besteedt, het is in beide gevallen een nieuw begin. En in beide situaties staat Pasen ook bol van tradities: het eieren verven, Paasvuur, Paaskaars, Paasontbijt en in Groningen kennen we ook het neuten schaiten oftewel het “riegjen”. Een nieuw begin. Willen we dat soms allemaal niet eens? Als we terugkijken denken we, had ik toen maar een andere keuze gemaakt. Dat wil je dan opnieuw doen, de mogelijkheid krijgen om opnieuw een keuze te maken. De werkelijkheid is dat we niet weten wat er was gebeurd als we toen een andere keuze hadden gemaakt. Je kent immers dat vervolg niet. We hebben daar denkbeelden over, maar zeker weten doen we het niet. Sommigen maken een nieuw begin door te emigreren. Wat hen bond aan Nederland laten ze achter om zich te vestigen in een ander land. Soms met de droom en hoop op een rustiger leven, een ander leven. We zien het in programma’s als “Ik Vertrek” en “Het Roer Om”. We aanschouwen de stroef lopende vergunningen,…
Wellicht is het (n)iemand opgevallen. Mijn vorige column voor/op de goed gelezen site van Bert werd al na enige uren weer verwijderd. Dit gebeurde (volkomen terecht) op verzoek van mijn werkgever. Ik had als onderwerp gekozen voor het bezoek van een niet nader te noemen koning van een niet nader te noemen land vanwege de officiële opening van een nieuw (werk)pand. Afgezien van de melding wat voor geweldig bezoek het was geweest, had ik (inderdaad) iets teveel “inside information” gebruik in mijn geschrift. Ik begrijp achteraf dat dit zou kunnen leiden tot lastige situaties. Niet dat ik zo’n situatie zelf zou kunnen benoemen overigens. Ik maakte in mijn geschrift melding van het feit dat de niet nader te noemen koning van een niet nader te noemen land na zijn bezoek doorreisde naar een niet nader te noemen dorp die gebukt gaat onder aardbevingsproblematiek. Ik maakte daar de kanttekening dat het dorp misschien helemaal niet zat te wachten op dit bezoek, omdat het per saldo niet veel verbetering oplevert. Want er waren al 5 eerdere bezoeken geweest. Allemaal even vruchteloos. De reeds eerder genoemde vertelde bij een 7e bezoek aan een andere niet nader te noemen dorp, dat ook gebukt gaat onder aardbevingsproblematiek, dat zijn aanwezigheid op zijn minst veel publiciteit oplevert. Dat mede daardoor de situatie onder de aandacht blijft van verantwoordelijke politici in Den Haag. Maar dat zou toch een vanzelfsprekendheid moeten zijn na al die jaren van “angst en beven”? Was het maar waar dat door de bezoeken “recht werd gedaan aan de Groningers”. Dat er wat eerlijkheid zou komen in de afhandeling van schademeldingen, dat er geen onderlinge conflicten zouden ontstaan door ongelijke behandelingen, dat de in het leven geroepen instanties zich opstelden als behulpzaam, begripvol en ondersteunend  en zich niet toonden als de “vijand”. Maar hier gaat het nu niet over. Zoals iedereen (??) wel zal weten moeten ambtenaren een geheimhoudingsverklaring ondertekenen. Je kunt je afvragen (in de traditionele zin en rol van een ambtenaar) waarom dit nodig is, want wat kun je allemaal beleven of meemaken en dus doorvertellen aan derden als je voornamelijk ligt te slapen of naar buiten aan het staren bent. In mijn geval is dat uiteraard niet aan de orde. Achteraf begrijp ik ook heel goed waarom mijn baan even op het spel heeft gestaan. Echt? Jazeker, want ik heb getekend om geen zaken naar buiten te brengen die geacht worden…
Zet de tv aan, open social media of luister even mee in de rij bij de kassa; binnen een paar seconden word je geraakt door een spervuur aan oordelen. We zijn er dol op. Oordelen over anderen, over situaties, over complete groepen mensen, en dat vaak op basis van bitter weinig informatie. Als je er bewust op gaat letten, is het bijna vermoeiend hoe gretig we met z’n allen in de oordelenmodus schieten. Het is alsof niemand meer iets wéét, maar iedereen wel een mening klaar heeft. In de oertijd was dat nog handig. Toen moest je binnen een fractie van een seconde bepalen of iets een tijger was of een struik die ritselde. Ons oerbrein is gebouwd op snelheid, emotie en automatische aannames, alles om te overleven. Maar anno 2026 staan er geen tijgers meer achter elke boom. De bedreiging van vandaag komt vooral van mediafeeds die volgepropt zijn met ongevraagde meningen. En toch oordelen we nog steeds alsof ons leven ervan afhangt. Het brein wil zekerheid, overzicht, een simpele “goed” of “fout” om de wereld behapbaar te maken. Emotie gaat sneller dan ratio, waardoor we al geoordeeld hebben voordat we überhaupt nadenken. Handig in het oerwoud; rampzalig in de commentssectie. Het lukt me slecht om mezelf ervoor af te sluiten. Neem een dodelijk ongeluk, een tragische gebeurtenis die al pijnlijk genoeg is. Nog voordat de rook is opgetrokken, verschijnt het online, compleet met beelden, want alles moet tegenwoordig real time geconsumeerd worden. Alsof menselijk leed een soort entertainment is geworden. Maar dan komen de reacties. Waarom überhaupt reageren op een nieuwsbericht? Wat voegt het toe? En als je al reageert, waarom dan zo voorspelbaar? “Vast te hard gereden.” “Zal wel drank in het spel zijn.” “Twintig jaar? Tja, jeugd van tegenwoordig.” “Vijfentachtig? Veel te oud om nog te rijden.” Het is fascinerend en irritant tegelijk hoe gemakkelijk mensen hun oordeel op tafel leggen. Ons oerbrein verzint liever een verhaal dan dat het even wacht op feiten. Het maakt niet uit wat er gebeurd is, de meningen staan al klaar, alsof iedereen een persoonlijke morele flitscamera heeft. Misschien is dat wel het echte probleem. We leven niet meer in een wereld waarin oordelen ons redt, maar we gedragen ons nog steeds alsof dat wel zo is. En het kost energie, onnodig veel energie. Maar stoppen? Ho maar. Oordelen is een nationale reflex geworden. Misschien wordt het tijd voor iets…
Je weet nooit precies wanneer je jouw kind voor de laatste keer optilt. Bij de start is alles glashelder. Zonder tillen, is er geen verplaatsing. Een baby drinkt, poept en plast zelfstandig. In willekeurige volgorde en als het mooi gaat in onvoorspelbare combinaties. Dat kunnen ze. Voor al het overige ben je als kersverse ouder cruciaal. Een onvermijdelijk middelpunt in hun jonge universum. Dit soort gedachten spoken door mijn hoofd als ik probeer een kastje door een trapgat te wurmen. Het past net wel. Of net niet. Dat weet ik nog niet zeker. Merijn trekt aan de bovenkant. Ik duw aan de onderkant. Daarbij komt de vraag op waarom ik deze positie koos. Als het niet lukt komt het hele ding in mijn richting. Hoe dan ook. Het lukt en het kastje komt boven. Klaar om onderdeel te worden van een studentenkamer. Daarmee is het officieel. Merijn is uit huis. Afgeleverd aan de grote wereld. Nog een paar jaar studeren en dan staat hij voor de klas. En ondertussen lonkt het studentenleven in alle opzichten. Guusje en Hanna helpen mee met verhuizen. Ze kijken verlangend naar het voorbeeld van hun grote broer. Uit huis. Op eigen benen. Zeker Guusje. Eerst nog even examen doen.  En ondertussen met elk circus mee. Stel je voor dat je iets mist. Een meer dan vol, maar zeker ook kleurrijk leven zoals dat heet. Op 18 maart kan en ga ik zelfs op haar stemmen bij de gemeenteraadsverkiezingen. Trots en beschermingsdrang vechten om voorrang. Hanna heeft als derde in de rij nog even te gaan. Op het Leon van Gelder vindt ze haar weg. In mijn tijd heette dat nog de Middenschool. Maar het effect is nog steeds hetzelfde. Leren samenwerken, ontdekken waar je goed in bent en wat je goed kan. Niet alleen aandacht voor het hoofd, maar ook voor het hart. Voor Hanna werkt het net zo goed als vroeger voor mij. Sociaal, lief, slim en steeds steviger in haar schoenen kiest ze haar eigen pad. Dat brengt haar op de goede plek. Daar ben ik van overtuigd. We zetten het IKEA-bed in elkaar. Zonder onderdelen over te houden en zonder gereedschap dat niet op de handleiding staat. Met minimale schade aan lijf en leden. Merijn laat ons uit en we krijgen nog een stevige omhelzing. Terwijl hij al over onze schouder naar de woonkamer kijkt waar zijn huisgenoot een biertje pakt. Het…
In gedachten ga ik 25 jaar terug. Toen lagen ze bij mij op de verkoever. Links van de balie was een plekje gereserveerd, daar hadden we de hele dag goed zicht op de monitor, de onrust, de pijn, de urineproductie via de katheter en het bloedverlies via de drains. “De heupen” waren lange liggers op de verkoever. Ze waren vaak instabiel, hadden veel pijn, bloedverlies en waren onrustig. Na een dag uitslapen gingen ze naar de verpleegafdeling waar ze volgens een zorgvuldig samengesteld protocol 2 weken verbleven. Ik schud mijn hoofd en ben weer in het heden. Inmiddels heb ik manlief gedag gekust, sta ik met mijn mobiel in de hand en m’n ziel onder m’n arm op de holding, de voorbereidingsruimte van de operatieafdeling. Ik ruik de mij zo bekende geur van ontsmettingsmiddelen en hoor de geluiden van infuuspompen, de bewakingsapparatuur en het scheuren van de plastic verpakkingen van de injectiespuiten.  Het voelt vertrouwd om hier te zijn. Voor me staat een ziekenhuisbed, keurig opgemaakt met een blauw operatiejasje erop. Op aanwijzingen van de verpleegkundige kleed ik me om. Mijn spullen mogen in een (duurzame) papieren tas. Ik kijk wat om me heen. Alle verpleegkundigen zijn gehuld in operatiepak en dragen een mondneus masker. Alleen de vrolijke sokken, glossy klompen, sprankelende ogen en gesprekken over het afgelopen weekend onthullen dat dit kleurrijke dames zijn. Geroutineerd ontluchten ze infuuszakken, bereiden ze medicatie en vullen ze materialen bij. Patiënten worden binnengebracht, gerustgesteld en ergens daar tussendoor loopt een man die een fotocamera angstvallig vasthoudt terwijl hij clownesk een disposable overall aantrekt. Ik concludeer dat dit een nerveuze aanstaande vader is, die meereist met zijn vrouw die een keizersnede zal ondergaan. In al deze reuring word ik voorbereid op de operatie die het begin inluidt van de rest van mijn leven. De verpleegkundige vertelt me wat ze doet en waarom. Het infuusnaaldje wordt vakkundig ingebracht, er wordt een pijl op mijn te opereren been gezet, ik krijg een chemische cocktail waar menig akkerbouwer jaloers op zou zijn, de bloeddruk en temperatuur worden gemeten en dan is daar het moment dat ik naar de operatiekamer word gebracht. Op de OK word ik door het hele proces geloodst. De time out procedure waarin iedereen herhaalt welke ingreep bij welke patiënt met welk materiaal en welk personeel er plaatsvindt, laat zien hoe professioneel en veilig er gewerkt wordt. Ik zie op tegen de ruggenprik, waarvan…
Het was augustus 1998. De zomervakantie was afgelopen en de laatste tien maanden van mijn schoolcarrière dienden zich aan. Het zou een bijzonder jaar worden. Want als ik het programma goed had gelezen, zou ik de schoolbanken maar bitter weinig zien. Het geleerde moest in praktijk worden gebracht. Petertje moest Peter worden. Vlak voor de zomervakantie moesten we op school komen en kreeg iedereen te horen waar hij zijn eerste stage zou lopen. Ik had, vond ik zelf, best een mooi lootje getrokken. Hamburg zou het worden. Novotel Hamburg City Süd. Het klonk in ieder geval fantastisch. Hoewel het internet nog in de kinderschoenen stond, stond bij ons thuis een pc te ronken, voorzien van een 56k6-modem. We noemden deze pc de Katja. Katja Schuurman zat in de reclame voor het computermerk Laser. Ze schreef er zelfs een liedje over… Maar goed. Ik kon er – ook toen al – informatie mee opzoeken over mijn nieuwe stageplek. Je kunt je voorstellen hoe mijn vingers over het toetsenbord gleden. Ik moest me uiteraard nog wel even voorstellen op mijn stageadres en een afspraak maken om langs te komen. Verdikke. Dat was best spannend. Uiteindelijk togen we met vier man sterk in de Fiat Tempra richting Hamburg. Gevoelsmatig een wereldreis. Zo vaak waren we immers niet buiten de provinciegrenzen geweest. En vakanties gingen steevast naar de Veluwe. Dan is Hamburg echt een uitstapje van wereldformaat. Ik ging erheen om te kijken waar ik terecht zou komen. Mijn ouders waren natuurlijk benieuwd waar ik de weg naar verdere volwassenheid zou inslaan. En Eling, m’n broertje, was mee. Hij dacht dat er op iedere straathoek in Duitsland, midden in de zomer, vuurwerk verkocht zou worden. Navigatie bestond niet. De kaart wel. En de uitdraai van de routeplanner op een diskette. Aardrijkskundig zat het wel snor bij Pa, dus zonder vertraging kwamen we aan bij wat mijn huis zou worden voor de komende zes maanden. Ik voerde een goed steenkolen-Duits gesprek met de HR-manager van het hotel. Kort en bondig werd uit de doeken gedaan wat de bedoeling was. Ik had het idee dat ik het begreep. Na een heerlijke maaltijd in het restaurant vertrokken we weer huiswaarts. Eling gedesillusioneerd – geen kanonslag gezien of gehoord. Mijn vader navigeerde door de straten van Hamburg. Moeders hielp mee. En ik overdacht de dag. Want als jonkje oet Middelstum was dit een hele stap. Het werd augustus.…
Op een mooie nazomerochtend, rijd ik richting Loppersum voor een afspraak bij de tandarts. Het is zo’n dag dat je voelt dat de herfst in aantocht is, maar dat de zomer zich niet zomaar gewonnen geeft. De zon is in al zijn kracht aanwezig, maar hangt zeer laag boven de landerijen. Vanaf de Eemshavenweg neem je normaal gesproken de afrit Middelstum/Stedum/Loppersum, maar deze is afgesloten, naar later blijkt door een ongeval. Aangezien ik op de een of andere manier altijd alles net te krap plan, schiet ik enigszins in de stress omdat ik door moet rijden naar Garsthuizen om daar achterlangs bij de plek van bestemming te komen. Ik rijd het pittoreske dorpje binnen en net als er door mijn hoofd schiet: ’Hallelujah, ik zie geen hand voor ogen’, komt mijn auto met een enorme klap tot stilstand. Het voelt alsof hij ergens bovenop hangt. Compleet verdwaasd over wat er net gebeurd is, stap ik uit. Een tegenligger is ook gestopt en vraagt vriendelijk of het goed gaat. Op datzelfde moment komt een mevrouw uit een huis naar ons toe gelopen. ‘Laat me raden, jij zag vast niks meer door de laaghangende zon?’ ‘Huh, dat klopt, maar hoe weet u dat?’, antwoord ik verbaasd. ‘Nou, gisterochtend gebeurde exact hetzelfde met een andere auto, ik heb toen de gemeente gebeld dat dit niet goed komt’, antwoordt de dame. Enigszins bekomen van de schrik, kijk ik eens beter waar mijn auto bovenop is geknald. Hij hangt boven op een behoorlijke betonpaal, die daar blijkbaar staat om een wegversmalling aan te geven, maar die dus totaal niet zichtbaar was. Het gaat al door mijn hoofd dat ik de ANWB moet bellen om hem eraf te laten slepen en dat die hele auto vast total loss is, maar besluit om eerst maar eens te kijken of ik hem nog kan starten. Mijn negentien jaar oude Volvo start zonder tegensputteren. Vanaf het begin af aan noem ik hem al liefkozend  ‘De Tank ’ en hij doet vandaag zijn naam weer eer aan. Hij gaat zo achteruit en na een wat schrapend geluid aan de onderkant staat hij achter de betonpaal die door hem geveld is. Aan de onderkant lijkt alleen wat staal verbogen en er zit een scheur in de bumper. Ik bedank de aanwonende mevrouw en de meneer die in de tegemoetkomende auto zat en zeg dat ik ook contact op zal nemen met…
De onrust in mijn lijf wordt met het wikken en wegen groter en groter. In mijn hoofd springen de hersenen van het ene op het andere been. En in rap tempo. De ene gedachte overspoelt de andere, waarna de eerste terugkomt in een nog grotere hersengolf. Het is maandagmorgen even na tienen. Het hele weekend was al een rollercoaster aan hersenspinsels en nu stuwen de gedachten het bloed in de aderen. De ringtone van mijn mobieltje slaat een bres in de maalstroom van gevoelens. Het is mijn broer. Het gesprek duurt dik twee minuten. Met mijn laatste woorden ‘Ja, komt goud’ op zijn ‘Komt goud’ verdwijnt de twijfel en keert rust en zekerheid terug in mijn hoofd en lijf. We gaan het gewoon doen. Ik kruip achter mijn laptop, schrijf in één ruk een brief en even na half twaalf stuur ik een mail met motivatiebrief en bod naar de makelaar. Even na enen mist Mien een telefoontje van de makelaar omdat ze in een belangrijke bespreking zit. We denken omdat het telefoontje zo snel komt dat we het niet zijn geworden. Hoop doet leven. Om tien over half twee belt de makelaar andermaal naar Mientje en niet naar mij omdat hij mijn nummer niet heeft. Deze keer kan ze wel opnemen. Het hoge woord komt eruit. ‘Het is van jullie…’ In een tijdsbestek van 3,5 uur zijn Mien en ik plotseling de eigenaar van een nieuw huis. Euforie en verbazing tegelijk. Appjes vliegen in recordtempo richting familie. Wij zijn zomaar de nieuwe bewoners van de Toornwerderweg in Toornwerd. Wij hebben ons droomhuis gevonden. En dat terwijl we in eerste instantie niet eens meer terecht konden op de kijkdagen, zoveel belangstelling was er. Dankzij een afmelding vanwege de griep mochten we alsnog naar de bezichtiging. Het moest kennelijk zo zijn. Het statige huis heeft sfeer, karakter, ruimte, vergezichten en meer dan 150 jaar geschiedenis en staat in Toornwerd, maar zij zeggen op Doord. Voor wie het niet kent; Doord ligt op het Hogeland onder de rook van Middelstum aan de boorden van het Boterdiep, op schootsafstand borg Ewsum en naar het noorden Kantens. Toornwerd is een pittoresk schilderachtig wierdedorpje. Nou ja, half wierdedorpje dan, want de wierde is in de 19e eeuw deels afgegraven om de arme Drentse zandgrond te bevruchten. Met een stuk of wat huizen en minder dan een handvol boerderijen heeft het slechts drie straatjes: Toornwerderweg, W.…
Nou daar zijn we dan, even in andermans schoenen staan. Al enkele jaren schrijft mijn moeder elk jaar getrouw een column voor Bert, over haar avonturen, haar werk en soms over dingen die wel erg dichtbij komen. Net zoals mijn moeder werk ik in de zorg, eerst als een soort Assepoester, met mijn schoonmaakkar over de afdeling. Een doekje hier, een gesprekje daar, de veger erdoor en met de dweil erachteraan. Ik was zeventien, had geen idee wat ik wilde gaan doen ‘wanneer ik later groot ben’. Eerst maar aan het werk, ontdekken wat ik leuk vind, wat mijn plekje was en dan… Tijdens de opleiding tot verpleegkundige kreeg ik de opdracht om te gaan observeren.  Lichtelijk in paniek belde ik mijn moeder met de vraag: ‘HOE doe ik dat?’ Haar antwoord stelde mij gerust: ‘observeren doe ik altijd, overal, vaak onbewust.  Bijvoorbeeld ik kom bij één van ‘mijn’ mensen binnen, dan luister ik, ik kijk, ik ruik, ik groet en krijg een reactie waar ik weer informatie uit haal. Oftewel ik observeer altijd en overal. En die observatie koppel ik aan mijn opgedane kennis, kunde én mijn gevoel.’ Inmiddels ben ik zes jaar verder, heb al verschillende zorgopleidingen achter de rug en ben bezig met de volgende. Na enkele jaren te hebben gewerkt met mensen met dementie, ‘mijn’ mensen die mij niet meer herkennen na een paar vrije dagen, ben ik in september begonnen op een revalidatiecentrum. Hier herkent men mij wel na een paar vrije dagen, wordt er gevraagd hoe dat ene tentamen ging, hoe de kerstmarkt in Duitsland was en word ik direct op de hoogte gebracht van alle perikelen die zich de afgelopen dagen op de afdeling hebben voorgedaan. Ook deze sterk wisselende groep met mensen, zijn allemaal toch een beetje ‘mijn’ mensen geworden. Waar ik bij mensen met dementie voornamelijk moest werken op gevoel, met mijn theorie en kennis in mijn achterhoofd is dat op mijn huidige afdeling anders. Eerst mijn theorie en kennis toepassen en daarna pas het gevoel een beetje de ruimte geven. Deze manier van zorgen was in het begin onwennig, ik was natuurlijk ook weinig anders gewend, maar heeft mij ook het inzicht geboden dat ik juist graag met mijn gevoel werk. Het écht leren kennen van mensen, doen wat het best passend is zonder hierbij voorbij te gaan aan afspraken maar toch de ruimte hebben om te doen wat goed…
De sneeuw dwarrelt voor de ramen, als ik mij achter mijn laptop heb gezet voor mijn jaarlijkse column voor deze website. Deze mooie witte wereld levert altijd schitterende plaatjes op. En zo naar buiten kijkend, begint het al wat te kriebelen. Het jaar 2026 is inmiddels alweer een dikke maand aan de gang. En wat voor een jaar staat ons te wachten op het gebied van sport. Met in 1 jaar de Olympische  Spelen en het WK voetbal als grote evenementen. Als deze column uitkomt is het nog een paar dagen voor de ceremonie van de Olympische Spelen begint. Maar liefst 38 sporters zijn er namens Nederland actief in Italië. We hebben een bobsleeënde advocaat in zowel de twee- als in de viermansbob. En er zijn zelfs medaillekansen. Hoe uniek zou dat zijn. Ook op een sleetje zijn er kansen voor Kimberly Bos op haar skeleton. Een mooie ontwikkeling is dat Nederland in de breedte in steeds meer disciplines actief is. Het gezelschap heeft zelfs nog wat snowboarders en een kunstrijpaar. De vraag is met hoeveel medailles we terug naar Nederland komen. Chef de Mission Carl Verheijen denkt dat 10 gouden medailles haalbaar is. Hopelijk zijn de mannelijke schaatsers opgewassen tegen de Amerikaanse gigant Jordan Stolz, die op 4 onderdelen de grootste kanshebber is voor goud. Op de langere afstanden wordt het ook een lastig verhaal, maar misschien kan onze Groninger Marcel Bosker voor een stunt zorgen. Bij de vrouwen liggen de kaarten wel anders. Met Femke Kok en Jutta Leerdam op de korte afstanden en Antoinette de Jong, Joy Beune en Marijke Groenewoud op midden / lange afstanden, zijn er veel kansen op eremetaal. Ook de shorttrackers zijn toonaangevend in hun sport. Dus ook daar verwacht ik wel wat medailles. Sowieso zijn de Spelen fantastisch om sporten te kijken die je anders nooit ziet. Voor de ultieme sportliefhebber is dit natuurlijk geweldig. Voor de niet-sportliefhebber is dit verschrikkelijk, maar die kunnen altijd nog een serie bingen op Netflix. Als de Olympische Spelen afgelopen zijn, begint het normale sportjaar op gang te komen. Met alle grote wielerklassiekers en de 3 grote rondes. Het is voor het peloton te hopen dat Tadej Pogacar en Mathieu van der Poel ook eens een keertje een wedstrijdje overslaan. Deze veelvraten zijn een sieraad voor de sport, maar nemen wel vaak veel spanning weg uit de koers. Ook de Formule 1 gaat weer van start.…
Op veel plekken zie je een beweging die ik zou willen omschrijven als ‘terug naar vroeger’. In de tijd dat mijn opa en oma veertigers waren, kwam het regelmatig voor dat een alleenstaande ouder bij je introk. Mijn opa en oma namen dat ook op zich. Hun gezin met drie kinderen breidde uit met een vader en de jongste ver nagekomen broer van mijn opa. Wat een handreiking. Ik voel een diep respect voor dit gebaar. Mijn opa en oma hadden al een vol leven. Ze runden een winkel aan huis. Overdag stond mijn oma in de winkel en ’s avonds waren er andere klussen voor het bedrijf. Hetzelfde gold voor mijn opa. De gezinstaken werden tussendoor opgepakt samen met de zorg van een vader en een broer. Zoveel te doen Vergelijk dat gebaar van mijn opa en oma met de situatie van nu. Daarbij moet je bedenken dat de omstandigheden heel anders zijn. Gemiddeld worden we steeds ouder. De periode van zorg en aandacht wordt daardoor ook vaak langer. Daar tegenover staat dat onze voorzieningen in huis er flink op vooruit zijn gegaan. Puur qua faciliteiten zou het dus mogelijk moeten zijn. Toch doen we het niet (allemaal). In veel situaties werken beide partners en is er een volle gezinsagenda zowel in huis als daarbuiten. Taken worden verdeeld en we ervaren onszelf als druk. Ook zijn er veel meer eenpersoonshuishoudens. Dat maakt het opnemen van een ouder in huis ook niet eenvoudiger. Is het genoeg? Als ik naar mijn eigen omstandigheden kijk, voel ik er -heel eerlijk- ook niet voor om een ouder in huis te nemen. Hoe lief en sympathiek ze ook zijn, en met hoeveel superlatieven in positieve zin ik ze ook zou kunnen beschrijven, ik zie het niet zitten. Omdat we het volstrekt normaal vinden, regelen we naar ons beste kunnen diverse zaken voor onze ouders. We geven ze tijd en aandacht (wat voor hen nooit te veel is), rijden voor bij medische afspraken en waar nodig ondersteunen we in huis. En dat is echt goed te doen. Maar is het genoeg vraagt dat innerlijke stemmetje vaak in mij. Het staat in geen verhouding tot wat mijn grootouders deden. Dus voor mij gaat die vlieger ‘terug naar vroeger’ niet helemaal op. Het begint met een inschrijving ‘Terug naar toen’, kan ook anders worden ingevuld. De wereld om ons heen verandert voortdurend en gelukkig beweegt de samenleving…
Als ik de jaarlijkse gastcolumn van Bé Schollema voorbij zie komen, weet ik dat ik eerdaags ook weer in de pen mag kruipen. Erg leuk! Ditmaal is de aanlevertijd iets later wat mij wel past, aangezien het aan het eind van het oude en aan het begin van het nieuwe jaar drukke tijden zijn. Als de kerstdagen voorbij zijn, staat de nieuwjaarsreceptie bij Corenos alweer voor de deur. En daarna begint het ‘gewone leventje’ weer, iets wat ik ook altijd wel lekker vind. Iets meer tijd om na te denken waar ik het over wil hebben dus. Toch vind ik het ieder jaar wel lastig om iets op papier te zetten. Er speelt zo veel in het leven, zowel dichtbij als ver weg. En wil ik een boodschap meegeven of gewoon een leuk stukje schrijven? En wie zit er nu eigenlijk op te wachten? Schrijven is toch wel echt een vak, bedenk ik mij dan elke keer weer. Ik probeer te bedenken wat mij bezighoudt en aangezien ik de columns schrijf rondom de jaarwisseling, kom ik er toch altijd op uit om zowel terug te kijken naar het afgelopen jaar, als vooruit te kijken naar wat ons te wachten staat. Dat ga ik nu dan ook weer doen. Op voorhand wil ik zeggen, dat ik een positief mens ben. Ik zie vaak de goede kanten in dingen, dat heeft mij al door vele situaties geleid. Ik blijf niet snel in gebeurtenissen hangen en zie vaak kansen. Toch moet ik eerlijk bekennen dat ik nu ook twijfel aan de ontwikkelingen in de wereld welke ons vandaag de dag bezighouden. Ik probeer mij altijd te focussen op dingen waar ik zelf invloed op heb en daarmee aan de slag te gaan. Daarmee probeer ik niet weg te kijken van iets waar ik geen invloed op heb, want zo werkt het ook niet. En als ik dan kijk naar de spanningen in de wereld, moet ik bekennen dat ik dit voor het eerst zelf ook als spannend ervaar. Niet dat het mij alle nachten wakker houdt, maar ik denk wel: ‘oei, waar gaat dit naartoe?’ Ik kan mij herinneren dat ik ooit een column schreef toen Trump voor het eerst aan de macht dreigde te komen, dat vond ik toen erg zorgwekkend. Donald Trump is bezig aan zijn 2e termijn en we zijn inmiddels jaren verder. In de tussentijd is er van alles…
Op het moment van schrijven is het 7 januari en sneeuwt het volop met een straffe koude wind. Code Oranje!! Bussen rijden niet, treinen veel minder en er wordt geadviseerd om thuis te blijven werken. Helaas zijn er veel beroepen waarbij thuiswerken niet echt lukt, en dat men wel op pad moet. Hulde aan deze mensen! Ikzelf ging gisteren op de fiets naar de tweeling. De fietspaden waren redelijk schoon, al was het wel oppassen. Helaas was de route naar school, waarvan je verwacht dat deze schoon zou zijn, niet best. Dus dat werd lopend met de bakfiets aan de hand. Toch heeft het ook wel wat, deze witte wereld. Prachtig om mooie foto’s te maken, sneeuwballen gooien, sneeuwpoppen maken, sleetje rijden. Het ziet er allemaal wat vriendelijker uit, die witte wereld. Alhoewel, een sneeuwballengevecht leidde al 2 x tot ruzie en zelfs tot de dood van een man. Bizar!!! Maar goed, het is dus wit buiten. Mijn gedachten gaan terug naar de winter van 1979. Ik zat op de lagere school, die dicht ging omdat de cv uitgevallen was. Dus kwam ik thuis met vriendinnen die thuis ook al cv hadden. Ze kwamen met mij mee omdat wij in het bezit van een gaskachel waren. Dus warmte in huis. Als ik het sneeuwboek erbij pak, dan komen er veel herinneringen naar boven. Sneeuwduinen tot het dak, ingesneeuwde woningen en de Delleweg die door militairen schoongemaakt moest worden. Als kind maakten we iglo’s, sneeuwpoppen en waren we blij dat we niet naar school hoefden. Ookal viel de stroom regelmatig uit, we maakten het toch gezellig met olielampen en kaarsen. Eén moment van stroomuitval is mij altijd bijgebleven. We keken naar Toppop met Meat Loaf zijn “Paradise by the dashboard light”. We keken met plezier totdat de stroom weer eens uitviel. Als ik dit liedje voorbij hoor komen dan moet ik altijd terugdenken aan dat moment. Wat ik ook bijzonder vond, was de ijzel van een aantal jaren geleden. IJzel op de ramen, schaatsen op straat, scholen die dicht bleven, gevaarlijk situaties. Wij hadden op dat moment een schizofrene buurman naast ons, die door deze weersomstandigheden geen medicatie en eten kreeg. Men durfde niet de straat op. Dit had behoorlijke gevolgen voor onze buurman. Hij raakte helemaal van slag, ging de straat op en schreeuwde alles bij elkaar. Zo sneu. Wij hebben dit even aangezien en het vervolgens gemeld bij thuiszorg.…
Bijna elke zondagochtend begint mijn wandeling op dezelfde plek: de Praxis aan het Damsterdiep. Niet omdat ik zo nodig een doos schroeven, een plank of een plantje wil hebben, maar omdat dit nu eenmaal het startpunt is geworden van een ritueel waar ik me de hele week op kan verheugen. Vaak alleen, maar ook af en toe met mijn zus of een vriendin. Het is december, zo’n maand waarin de stad steeds een beetje gezelliger begint te worden en alles onder een dun laagje nostalgie is gelegd. De lucht is helder, de kou trekt wat door mijn kleding en mijn jas ruikt nog vaag naar vorige winters. Met een dikke sjaal om, is het allemaal nog goed te doen. Ik loop weg van de Praxis. Vandaag loop ik niet langs het water, maar via de weg. Ik zie het vogelhuisje, althans wat er nog van over is, in de tuin staan van een oud-collega. Ze heeft het laten staan, omdat de kinderen het vroeger als herkenningspunt zagen en zodoende wisten dat het haar huis was. Even verderop kom ik langs het voormalige slachthuis. Of beter gezegd: waar het vroeger heeft gestaan. Alleen de directeurswoning staat er nog, groots en statig, alsof hij weigert te erkennen dat zijn functie allang verdwenen is. Het pand doet nu dienst als studentenhuis, wat vooral te zien is aan de verzameling Swapfietsen die als een soort moderne kunstinstallatie voor de deur staan. Allemaal in dezelfde kleur blauw of rood, shots en scheef geparkeerd. Soms stel ik me voor dat de oude directeur hoofdschuddend uit een raam kijkt en zich afvraagt waar het mis is gegaan. Het is nog rustig op straat. Ik loop verder langs het Damsterdiep en groet af en toe iemand die ik vaker tref. Geen gesprekken, hooguit een knikje of een “moi”. De kauwgomballenautomaat, die normaal gesproken vol met kleine verrassingen zit, is al leeggehaald vanwege de naderende jaarwisseling. Alsof iemand heeft gedacht: daar kan alleen maar ellende mee worden uitgehaald. Het lege glas weerspiegelt mijn gezicht even en ik zie er verrassend tevreden uit. Uit het aangrenzende café hoor ik muziek, zal FC Groningen vandaag spelen of wordt er gewoon schoongemaakt? Bij de Nieuweweg sla ik af en zet koers richting het Forum. Daar luister ik op zondagochtend vaak naar Haydn op Zondag. De muziek vult de ruimte, terwijl ik op de trap plaatsneem. Ik blijf er nooit lang, maar lang…