De eindeloos lange Piet liep mee naar de stoep en zwaaide ons uit. Maar niet voordat hij tips had gegeven waar je lekker kon eten. Hij riep nog iets na over de route; niet over dat ene bruggetje, door dat tunneltje bij het station kon wel. Vaderlijke zorg.
We logeren een nacht bij Piet en Willy in Assen, deelnemers aan Vrienden op de Fiets. Twee vriendelijke zeventigers met een tijdloos grenen interieur waar je je thuis voelde op het moment dat je over de drempel stapte. Piet had gewerkt als timmerman, Willy zorgde voor het huishouden. Ze lieten doorschemeren eenvoudig te hebben geleefd, ‘nooit een auto gehad’, maar ze hadden toch maar mooi gereisd, de fiets ging mee in de vliegmachine naar Engeland.
We droomden die nacht tussen het kraakheldere linnen van Willy. Het eten in het centrum was goed geweest, toen we terugkwamen brandde er nog licht beneden, we zeiden welterusten tegen elkaar, Piet en Willy keken voetbal op tv.
Als slaapmuts wilden wij ook kijken op onze kijkbuis boven. Stickertjes met handgeschreven pijltjes op het apparaat. Maar ‘m aankrijgen, ho maar. In de pyjama ging ik naar beneden, op zoek naar Piet. Piet mee naar boven, hij gaf een tik op de zijkant van het toestel. Voilà: beeld. Vitesse kwam net op 1-0.
We sliepen als rozen. Tussen handgeschreven briefjes van Willy, met punaises in de wand. Over dat het er vooral om gaat vandaag de dag te plukken. Te genieten van kleine dingen.
De volgende ochtend een voedzaam ontbijt, met eiwitten, volgens de richtlijnen van Vrienden op de Fiets. In het keukentje bij het raam, met uitzicht op de royale tuin, de tuin die wat te groot werd zo vertelden ze, terwijl Piet en Willy de puzzel in de krant oplosten, hun dagelijks ritueel.
Tijd om afscheid te nemen, we betaalden contant. Piet gaf daar de voorkeur aan, ‘de banken hebben te veel macht.’
Woordjes van dank, een handdruk. Dag Piet, dag Willy.