In een provincie opgegroeid met het adagium ‘het was niks, het is niks en het wordt niks’ voedden mijn ouders me op met het besef dat het best wel wat kon worden. De Toekomst was echter al lang gesloten en stond daar als een ruïne. Als kinderen speelden we toch stiekem in deze verboden toekomst tussen de resten van het verleden. Mijn ouders hebben het nooit geweten dat we op deze gevaarlijke plek, de oude strokartonfabriek, ons vertier zochten.
Voor hen lagen de kansen en de sleutel voor een goede toekomst bij het ABN. Het algemeen beschaafd Nederlands spreken. Zo werd er tegen de kinderen de gehele lagere schoolperiode Nederlands gesproken en werden we in de puberjaren met een tienertoerkaart op pad het land ‘ingetreind’. Vele leeftijdgenoten zullen dit herkennen.
Buiten de provinciegrenzen kwam ik er al snel achter dat deze vooroordelen over Groningen sterk en diepgeworteld waren. Tegen mij konden ze dat wel zeggen, want zonder de typische Groningse tongval kon ik toch echt geen authentieke Groningse zijn. Niets is minder waar, het Groningse bloed stroomt al eeuwen door onze familielijn.
Wel ben ik een a-typische Groningse, althans, zo heb ik mezelf maar bestempeld. Want van kleins af aan vind ik het schitterend hier. Het staren naar de punt aan de horizon, een stadje waar je uit kon gaan zonder sluitingstijd, de uitjes naar de Grote Stad en alle andere sentimentele retoriek. Het klopt gewoon in Grunn’n. En dat was vóór de ‘Er gaat niets boven Groningen’ campagne. Het was alles en het kon nog meer worden.
Mijn arbeidzame leven begon in Friesland. En daar zag ik wat een andere volksaard kan bewerkstelligen. Hier was en is men trots op het land en liet dat aan iedereen weten. De productie in het werk lag er hoog en ik leerde dat het beter is te falen, dan niet te beginnen. Dus het werd altijd wat in Fryslân, zoals ik de provincie ook begon te noemen.
Lang heb ik nagedacht waar dat verschil in mentaliteit (we zitten nu in de jaren ’90) aan te wijten is. Mijn niet onderbouwde conclusie ligt in de hiërarchische structuren. Fryslân heeft geen dominerende grote stad, maar 12 steden. Geen grootschalige landbouw met heersende herenboeren, maar veeteelt die van oorsprong kleinschaliger is. Of deze uiteenzetting klopt laat ik graag aan de historici over.
Tijdens een korte vakantie in Noordwest Duitsland zag ik hoe hun, en later bleek ook onze, geschiedenis wordt omarmd. Trotse ‘Ostfrieslanders’. Op veel plekken zie je de Oost-Friese vlag wapperen, er worden veel Oostfriese producten verkocht, van thee tot boeken en koelkastmagneten. En op gebouwen en andere plekken wordt verteld over de geschiedenis van Frisia. Van Harlingen tot aan Wilhelmshaven.
De meest bijzondere plek waar voor mij de Groninger, Friese en Noordwest Duitse geschiedenis bij elkaar komt vond ik in een bos bij Aurich bij de ‘Upstalboom’. Afgevaardigden van de Friezen troffen elkaar in de twaalfde en dertiende eeuw bij die Upstalsboom, om recht te spreken, besluiten te nemen en zo nodig hun autonomie (de zogenoemde ‘Friese vrijheid’) te verdedigen (https://nl.wikipedia.org/wiki/Upstalsboom). Zo zijn hier bijvoorbeeld in de 14e eeuw de stadsrechten van Appingedam bekrachtigd.
Nu las ik deze week in de media dat het Rijk 56 miljoen euro wil investeren in het Wadden- en het Kustgebied om de leefbaarheid te verbeteren. De Provincie Groningen gaf deze week aan met 22 miljoen het toerisme in onze provincie een duw in de rug te willen geven. En ook deze week in het nieuws: bijna een miljoen voor Oost-Groningen omdat ‘het niet moet uitmaken waar je wieg heeft gestaan’, gelijke kansen voor kinderen uit onze mooie, wat zeg ik, prachtige provincie.
Wat ik daarvan denk? Ach dat maakt niet uit. Wat ik denk dat een oplossing zou kunnen zijn om de leefbaarheid, het toerisme en de gelijke kansen in dit gebied op een hoger niveau te brengen? Nee, niet iedereen aan het ABN (deze standaard bestaat officieel niet eens meer), maar trots zijn op hoe wij, onze voorouders en het landschap elkaar gevormd hebben tot een stukje paradijs op aarde.
Het is hier hard werken met de elementen van het weer en de ondergrond. Maar kijk eens, we voeden wel half Nederland. We ontvangen onze toeristen met open en nuchtere armen. Onze kinderen hebben de vrijheid om op straat te spelen en hutten te bouwen. Kom daar maar eens om in andere delen van het land. Dus wees trots en laat het zien! Dan komt de rest vanzelf in ons eigen tempo.
En hoe laat ik zien dat het hier goed wonen is en het landschap ruimte geeft in je hoofd en voor je creativiteit? We laten de Ommelander vlag wapperen op ons Cultuurerf Andledon. Aan de hand van oude documenten hebben we deze vlag laten ontwerpen. En de vlag leidt bijna altijd tot mooie gesprekken en inzichten. We hebben een rijke historie, en de vlag is een sleutel tot het laten inzien daarvan. Onze huisdichter en manlief Erik Gritter zet hieronder uiteen, hoe zo’n gesprek dan verloopt:
“Met regelmaat wordt ons de vraag gesteld – soms zelfs met een licht verwijtende ondertoon – waarom we op ons erf de Friese vlag voeren. Het antwoord komt altijd als een verrassing: het is niet de Friese vlag!
De vlag die op ons terrein wappert lijkt vluchtig beschouwd op de Friese, maar wie beter kijkt ziet drie verschillen: het aantal banen, de richting van de banen en de hartjes (die dus geen pompeblêden zijn). Het is dan ook niet de Friese vlag, maar de Ommelander vlag. De vlag van de ‘Ommelanden’ dus, de gebieden rondom de stad Groningen. Deze Ommelanden – waaronder Hunsingo, waarvan Den Andel deel uitmaakte – waren in een grijs, middeleeuws verleden onderdeel van de Zeven Friese Zeelanden: de kustlanden die door de Friezen werden bewoond.
De basis van de Ommelander vlag ligt in het Ommelander wapen dat door de Heren van de Ommelanden in 1579 was geïntroduceerd. Deze Heren waren zich bewust van de oude Friese oorsprong van het gebied en ze baseerden hun wapen – mede om zich af te zetten tegen de stad Groningen – op de wapens van oude Friese koningen zoals Radboud. In deze periode noemden de Heren het gebied zelfs ‘Klein Friesland’.
En de echte Friese vlag, zoals iedereen die kent? Die werd pas in 1830 vastgesteld en was eveneens gebaseerd op de wapens van de oude Friese koningen. De Ommelander vlag en de Friese zijn dus nauw aan elkaar verwant en hebben beide diepe historische (Friese) wortels.
We voeren dus niet de Friese vlag, maar de Ommelander vlag. De drie blauwe banen staan voor de drie zogenaamde ‘geprivilegieerde zijlvesten’ uit het Ommelander gebied: een drietal zijlvesten (middeleeuwse ‘waterschappen’) die in 1531 grote autonomie kregen. De elf harten staan voor elf ‘onderdistricten’ van de drie Ommelanden die Groningen toen kende, waaronder Hunsingo.
Daarmee is de vraag beantwoord. Op het erf wappert niet ‘de’ Friese vlag, maar: een Friese vlag!”
We zien de vlag op steeds meer plekken hangen. Ook zo’n vlag aan je gevel? Laat het me weten!
Johanna Davids