In de supermarkt van het dorp is het lekker koel maar zo aan het begin van de avond niet druk. Twee meisjes in Plustenue hebben het lachend over een jongen, die hen kennelijk kan bekoren. Ik zoek de eieren omdat ik als nieuwe inwoner van het naastgelegen dorp de weg in de schappen nog niet weet. ‘Moi Doordman’, hoor ik achter me.
Een vrouw – ik schat haar achter in de zestig – die mij wel kent maar ik haar niet, kijkt me geamuseerd aan. Die had ik nog niet gehoord: Doordman. Een verwijzing naar mijn vroegere beroep als Noordman én naar ons nij stee Toornwerd, in het Gronings Doord.
‘Moi ’zeg ik alsof ik de vrouw ook ken. ‘Bevaalt n beetje op wier?’ ‘Och man, ’t is net n parredies’ is mijn oprechte antwoord. Tegelijk dwalen mijn gedachten af naar ons haim aan de Toornwerderweg. Het doorkijkje naar het torentje, de pas gemaaide weide achter ons huis, de appelboom waarin de appels steeds groter worden en de beestenboel die huist in onze tuin.
Een muis die over het terras zich een weg zoekt naar de rozenstruiken, twee springende knokkende hazen, een niet aflatende roepende koekoek, die plots is vervangen voor een koerende houtduif, onze huisfazant die volgens de buren ook hun huisfazant is, een mol die denkt dat het gazon nodig moet worden omgeploegd en Ruby de familiedoedel die het ook bij ons heel gezellig vindt.
En gister liep pardoes een zwarte kip over het gazon. Het kan trouwens ook een haan zijn geweest. Ik ben geen kipkenner die het uiterlijke verschil kan zien tussen een haan en een kip. Aangezien ik door zijn zwarte uiterlijk en rooie kam meteen de associatie legde met Zwarte Kip-advocaat, houd ik het maar op een kip. En noemde hem Dickie.
Maar die zwarte kip had het grondpikkend met af en toen een parmantig sprintje prima naar de zin in onze tuin. Ik begon me af te vragen van wie die kip zou kunnen zijn en of die al gemist werd. Ik had de hoop dat Dickie zelf haar weg weer terug zou kunnen vinden. Want ik kreeg ineens visioenen dat ik haar zou moeten gaan vangen. En daar vond ik haar toch iets te groot voor.
Ik ging maar eens polsen bij de buren. Die wisten achter het huis van hun avondrust genietend te vertellen dat ie van hun achterburen waren, want Dickie had ook al door hun tuin gestruund. Ik langs het pad naar de Ossengang naar de achterburen. Niemand thuis. Ik had kunnen zeggen geen hond, maar dat klopt niet, want die was wel thuis.
Ik zag nog wel eenzelfde Zwarte Kip in de tuin en teruglopend verzon ik een oplossing om Dickie weer terug naar huis te krijgen. Even later liep ik met wijd gespreide armen als een volleerde kippenhoeder door onze tuin Dickie naar de uitgang leidend. Klagend tokkend en angstig rennend ging Dickie voor mij aan.
Langs de garage en de auto’s vond ze zelf de weg terug naar het pad richting Ossengang. Het moet een koddig gezicht zijn geweest hoe ik al pratend (‘Tou mor Dickie. Hier langes’) en gebarend Dickie terug naar huis leidde en zich weer aan sloot bij zijn kip- of haanmaatje.
Het is me de beestenboel wel in Toornwerd en dan heb ik het nog niet eens over de blèrende schapen en de loeiende koeien. Maar een dier mist er in Toornwerd. Een dier, een trouwe viervoeter, een kameraadje, een bestie, een allesie, die heel erg gemist wordt.
Pip, ook wel Pipo zonder O, onze langoorhond heeft de verhuizing niet meer meegemaakt. De vrijdag voordat we naar Doord vertrokken werd ze plotseling en veel te vroeg uit ons leven gerukt. Groot verdriet overspoelde de komst naar Doord. Mientje die een twee-eenheid met haar Pip vormde, was schier ontroostbaar. Het gemis was en is niet onder woorden te brengen.
De immer vrolijke aanhankelijke langoor was het zonnetje in huis. Liggend tegen Mientje op de bank, liggend op mijn enkels of gevleid tegen Mientje in bed, spiedend als levend boegbeeld op ons bootje naar meerkoetjes en eendjes, het dagelijkse Pippiedippie in het meer, met onverstoorbare tred met de neus op de grond andere honden links latend liggend, behalve Flip de Beagle want daar was ze verliefd op, de doldwaze capriolen als ze de geur van een fazant in de neus kreeg, het stiekeme stelen van mijn gebakken ei op de grote keukentafel, de zorgzame aanhankelijkheid als een van ons ziek was, de immense blijheid als we terugkwamen van het werk. De mooie herinneringen aan een prachthond is met verdriet vermengd.
‘Hebben joe ook n hond?’ vraagt de vrouw in de supermarkt. Ik schud meewarig van nee. ‘Dij zol der perzies pazen’, zegt ze stellig. ‘Ook bie joe. Kin gain beter stee kriegen…’ Ik knik alleen maar.
Fietsend langs het Boterdiep naar huis denk ik dat de vrouw eens moest weten hoe ze meer dan gelijk heeft. We gaan voor een nieuwe hond. In september komt ie. Moos op Doord.
Erik de Doordman
(De columns van Erik Hulsegge op bert-koster.nl worden u aangeboden door Klimaatgroep Holland uit Groningen! www.klimaatgroepholland.nl)