‘Eigendom en beheer van molens, een lust of een last?’. Zo luidde de officiële titel van de lezing verzorgd door Jan Oomkes. Oomkes was in zijn werkverleden onder andere wethouder van de gemeenten Aduard en Zuidhorn en ook werkzaam in het UMCG. Tegenwoordig vervult hij diverse vrijwilligersfuncties waaronder die van voorzitter van de Stichting Groninger Poldermolens. En in die hoedanigheid stond hij dinsdag 2 juni jl. een zaal vol fijnproevers te woord.
Allereerst was daar de introductie door gastvrouw Yvonne de Vries – Vreugdenhil die de (administratieve) samenwerking met de stichting aanstipte. Medewerker Nikki Riepma onderhoudt namens het kantoor de contacten met de stichting.
Nederland telde ooit 12.000 molens
De Stichting Groninger Poldermolens is opgericht om het mooie ambacht van molenaar te behouden en de molenkennis in stand te houden. Ooit telde ons land maar liefst 12.000 molens welke vaak ingezet werden voor de bemaling van ons land. Maar ook voor het malen van koren en het pellen van gort.
Van deze 12.000 molens zijn er nu nog maar 1.200 over waarvan 90 in de provincie Groningen staan. De Stichting Groninger Poldermolens heeft hiervan 18 in beheer, 17 poldermolens en één korenmolen in Noorderhogebrug. Het gilde van vrijwillige molenaars telt zo’n 3.000 molenaars en in onze provincie zijn dit er 30, waaronder 5 vrouwelijke molenaars. 90% van alle 1.200 molens zijn Rijksmonumenten geworden.
De meeste molenaars zijn geboren techneuten. En dat komt goed uit want vaak zijn molens een wonder der techniek. De meeste molens zijn immers zelfzwichters met een ingenieus wieksysteem met kleppen die automatisch openen en sluiten. Daardoor kan er met een constante snelheid en gelijkmatig ge- en bemaald worden.
De 17 poldermolens van de stichting waren in de afgelopen dagen door de hevige regenval nog volop in gebruik om het overtollige water weg te malen. Door de komst van elektriciteit verloren veel molens hun oorspronkelijke functie maar het doet Oomkes goed dat hun molens de laatste tijd zoveel goed werk verricht hebben en zelfs tijdens een grote stroomuitval malen de molens rustig door.
De meeste molens zijn eigendom van gemeenten, stichtingen en particulieren. Zij komen jaarlijks twee keer bij elkaar om over hun belangen te praten. Vaak wordt er dan ook een molen bezocht en kan de desbetreffende molenaar de aanwezigen bijpraten waarna er koers gezet wordt naar het plaatselijk dorpshuis. De stichting kent de nodige molens van rond de tweehonderd jaar. Binnenkort volgen drie van dergelijke jubilea terwijl dit jaar 150 jaar Poldermolen De Palen nabij Westerwijtwerd gevierd wordt. De oudste molen is overigens de Kloostermolen in Garrelsweer, deze is 235 jaar oud.
In 1972 is het gilde van molenaars opgericht. Zij zorgen onder andere voor de opleiding tot molenaar en bij een succesvolle afronding volgt de uitreiking van een getuigschrift. Afhankelijk van het technisch inzicht van de cursist duurt een opleiding toch al gauw zo’n 1,5 tot 2 jaar.
Voor de instandhouding van molens is veel geld nodig. Het gemiddeld onderhoud per jaar kost vaak al zo’n €10.000,- en voor groot onderhoud wordt vaak rekening gehouden met 5 tot 6 ton aan kosten. Een nieuwe vijzel maken van hout is vaak monnikenwerk en kost ongeveer €38.000,- terwijl je voor een stalen versie €26.000,- neer moet tellen. Wanneer een roede, waaraan de wieken bevestigd zijn, vervangen moet worden dan moet je denken aan €50.000,- terwijl het vervangen van tuigage inclusief zelfwrichting ook al gauw €20.000 kost.
De Rijksdienst Cultureel Erfgoed, provincies, gemeenten, waterschappen maar ook fondsen (zoals fondsen voor de instandhouding van erfgoed) en particulieren zorgen voor de financiële donaties waardoor de molens in Nederland kunnen blijven draaien. Daarvoor is het overigens goed om ze wekelijks in beweging te zetten.
Lusten en lasten
Na de pauze gaat Oomkes verder in op de lusten en lasten van de molens die we hebben. Onder de lasten vallen de financiën om alles op orde te houden maar ook de zorg over de molenbiotoop en het feit dat er onvoldoende vaklui zijn om de molens draaiende te houden. Maar daartegenover staat het feit dat deze prachtige rijksmonumenten vaak een lust voor het oog zijn en een prachtige hobby voor vele molenvrijwilligers.
Ooit kreeg Oomkes een Groninger Molenboek aangeboden en toen hij hem willekeurig opende, stuitte hij op de molen in Wetsinge en laat die nu juist in een grijs verleden gebouwd zijn door naamgenoot Jan Oomkes. Eigenlijk te toevallig voor woorden maar zijn vrouw zat er bij en kan hierover getuigen.
Daarna volgt een boeiend relaas over de honderd spreekwoorden waarin molens een prominente rol vervullen. ‘Dat is koren op de molen’ bijvoorbeeld. Of ‘Wie het eerst komt, wie het eerst maalt’. Vervolgens gaat hij verder in op de molentaal want ‘molens kunnen immers praten’. In oorlogstijd konden onderduikers aan de stand van de molenwieken zien of het veilig was of niet. Tegenwoordig is daar de rouw- en vreugdestand bij het ontvallen van bekende dorpsgenoten of juist bij een heuglijke gebeurtenis.
Vragen uit de zaal
Tot slot van de lezing kregen de toehoorders nog de kans om (strik)vragen te stellen. Deze gingen bijvoorbeeld over aardbevingschade en Molen Goliath in de Eemshaven van de bekende molenaar Ida Wierenga-Spijk. Voor deze molen is een aparte stichting in het leven geroepen. Vanuit de zaal volgt nog een compliment over het enthousiaste betoog en Oomkes vond ons een aandachtig publiek waarna Yvonne nog een dankwoord uitsprak en een flesje Fladderak overhandigde. Na die tijd was er nog de gelegenheid voor een hapje en een drankje.
Na de zomer gaan de lezingen uiteraard verder. Op dinsdag 22 september is er ruim aandacht voor Prinsjesdag en de Cavalerie. Gratis aanmelden is mogelijk via de website www.kantoorvreugdenhil.nl, via de mail info@kantoorvreugdenhil.nl of per telefoon 0595-435895.