
Rond de laatste eeuwwisseling had ik zitting in een stembureau. Het werd een lange dag, maar ik zat er met enkele voormalige raadsleden van CDA-huize, die me royaal inwijdden in de geheimen van hun politieke geheugen. Zo word je als historicus van de lokale gemeenschap in één dag veel wijzer over zaken die zelden in de bronnen terechtkomen.
Het relativeerde ook de politieke actualiteit in onze gemeente. Een generatie eerder worstelde men al met krappe begrotingen en uitbreidingsplannen. Ook toen lieten persoonlijke verhoudingen soms te wensen over. De christelijken en de openbaren lagen elkaar niet altijd, maar vanuit bestuurlijke noodzaak zocht men elkaar toch op.
“Ach”, zei de voorzitter van het stembureau, “ARP en PvdA konden wel aardig samen besturen, zo lang de zondagsrust maar werd gerespecteerd.” Hij was wel zo eerlijk toe te geven dat er menig gereformeerde op de zondagen in de buurt van het terrein van Hunsingo, de openbare club, stond te kijken naar de match. De verveling moest toch worden bestreden. Een gedogend leven en laten leven.
Het gesprek kwam vervolgens op de locatie van ons stembureau, lokaal toen nog bekend als het N.A. de Vriesgebouw. Als ARP’er meed je dat vroeger liever, vertelde men. Het was immers het clubgebouw van de socialisten. Dan vergaderde men liever in het eigen Rehoboth om de hoek, inmiddels gesloopt en vervangen door HAT-eenheden.
Van Dam-eenheden, heetten die ooit nog, naar de PvdA-staatssecretaris voor volkshuisvesting in het “eerste” kabinet-Den Uyl. Hoewel het “tweede” er nooit kwam, leidde alleen al het noemen van “ome Joop” bij de CDA-heren nog altijd tot enige opwinding en plaagstootjes in mijn richting. En Pieter Jelles Troelstra keek ondertussen ernstig op ons neer.

Zijn portret hing daar namelijk nog altijd aan de wand, ondanks het verbod op politieke propaganda in en rond een stemlokaal. De hedendaagse generatie sociaaldemocraten weet dat vaak niet meer, maar Troelstra had ooit een bijna aartsvaderlijke status binnen de SDAP en later de PvdA.
Zoals Domela Nieuwenhuis in Friesland voortleefde als “ús ferlosser”, zo was ook Troelstra een van de grote politieke iconen van de beweging. Later verdween Troelstra geleidelijk achter Drees, zoals Drees weer achter Den Uyl verdween. Politiek geheugen heeft een korte horizon: voor elke generatie begint de geschiedenis weer net vóór haar eigen geboorte.
Lokaal had N.A. (Nardus) de Vries een iconische status. Geboren Winsumer, zoon van een bemiddelde wolhandelaar en eigenaar van een vellenbloterij, had hij het jodendom en de zaak de rug toegekeerd en zich bestuurlijk ontwikkeld. Hij koos voor het socialisme, zoals veel joodse Nederlanders in die jaren, werd geheelonthouder en bestuurder van formaat.
Het feit dat hij goed met begrotingen kon omgaan, ook toen al schaars in het openbaar bestuur, en dat hij aimabel was, speelden mee bij zijn benoeming tot gedeputeerde en later wethouder in de gemeente Groningen, de eerste namens de SDAP.
Hij overleed echter al snel na zijn benoeming in 1924, hetgeen tot diepe rouw en een indrukwekkende processie in Stad leidde, op weg naar het station. Zijn lichaam zou namelijk gecremeerd worden in Westerveld te Driehuis, het enige crematorium dat ons land toen rijk was. Crematie was officieel zelfs nog verboden, maar de ware sociaaldemocraat die het zich kon permitteren liet zich cremeren, liefst met de Blauwe Knoop op het pak.
Eigenlijk was zijn vrouw, Agnes Bruins, als eerste voor dat wethouderschap in beeld geweest, maar zij zag ervan af, omdat zij op de nominatie stond om Kamerlid te worden, de eerste vrouw namens de SDAP. Zij had veel in haar mars, als zenuwarts en strijdbaar politica, en het was dus een hele eer voor de lokale sociaaldemocraten dat zij als kamerlid het verenigingsgebouw dat naar haar vroeg overleden man werd vernoemd in 1935 kwam openen. Bij die gelegenheid gaf zij een voorzittershamer, een klok en een portret van haar man cadeau.
Daarvan ontbreekt nu met het portret van Troelstra alle spoor. Inmiddels is het gebouw weer in de staat van de voormalige synagoge, de oorspronkelijke functie van het gebouw sinds 1879, gebracht en daarmee is er in ieder geval voor het oog een wezenlijk stuk sociaaldemocratische geschiedenis verdwenen.
De herinnering aan de Joodse gemeenschap wordt zo terecht levend gehouden, maar de eerlijkheid gebiedt om te constateren dat het gebouwtje langer als dorpshuis voor de “Roodborstjes”, de lokale naam voor de bewoners van Obergum, dan als sjoel in gebruik is geweest. Dat is niet erg, zo gaat dat bij restauraties: kiezen doet verliezen, maar documenteer dan goed wat je sloopt. Dat is niet afdoende gebeurd en ik neem me voor daar iets aan te gaan doen. Het “rode” Obergum verdient meer aandacht binnen de dorpsgeschiedenis.
Binnenkort behoort zelfs mijn PvdA tot de geschiedenis. De partij gaat op in PRO, en misschien is dat allemaal noodzakelijk. Politieke bewegingen die ertoe doen moeten zich nu eenmaal geregeld ontpoppen. Zo ging de SDAP immers ook in 1946 op in de PvdA. Dat hoeft het wezen niet te veranderen.
Wie vooruit wil, moet soms afscheid nemen van vormen die hun werk hebben gedaan. Maar dat vraagt wel om vasthouden aan een herkenbaar ideaal: emancipatie en bestaanszekerheid voor allen. Werk van generaties, stap voor stap, via soms pijnlijke compromissen, maar zonder opgeven.
Dat is wat ik meeneem als de PvdA verdwijnt: niet een logo, maar een traditie. Troelstra, Nardus de Vries, Agnes Bruins, de partij van mijn ouders, de partij voor de Roodborstjes van Obergum. Mensen die bleven geloven in recht voor allen en eerlijke kansen voor iedereen.
En wat daarbij bereikt is, moet altijd weer worden bevochten. Met een wat verweesd gevoel misschien laat ik de PvdA los. Met weemoed én strijdlust. Als import-Roodborstje blijf ik dwars door alles heen verstokt sociaaldemocraat.
Maar waar is het portret van Troelstra uit het N.A. de Vriesgebouw toch gebleven?