In de supermarkt waar ze ‘Hallo’ in plaats van ‘Moi’ zeggen, is het halverwege de avond rustig. De jeugdige vakkenvullers zijn in de overhand. Met een sleepmandje ben ik ‘op boodschap’ voor moeders. Een kilootje aardappels, drie-voor-vijf euro bakjes fruit, drie stronkjes witlof, de Libelle, gele vla, een speltbrood, kaas, boterhamworst en Konings gehaktballen ‘uut Pekel’ mogen niet ontbreken.
Bij de enige kassa die open is, vlijt een morsige man voor mij zes blikjes bier op de band. De huid van zijn gezicht is rood en pokdalig. Zijn ogen waterig. Het weinige haar valt vet over zijn schedel. Ik schat ‘m iets ouder dan ik. Als hij heel netjes het beurtbalkje achter zijn zes blikjes bier zet, zie ik dat zijn handen licht trillen. Alcoholist, schiet door mijn hoofd.
Voor hem is een klein meisje, een jaar of tien, in een iets te groot en vaal jurkje haar boodschappen aan het afrekenen. Ze overhandigt de kassajuffrouw een tientje en een handvol kleingeld. Als ze uitgeteld is, zegt de kassajuffrouw met lief gezicht tegen het meisje dat ze nog 75 cent tekortkomt.
Het meisje kijkt haar met een hulpeloos gezicht aan. ‘Ik heb niet meer’, zegt ze bijna huilend. De kassajuffrouw weet even geen raad met de situatie. ‘Heb je echt niet meer?’ Ze schudt haar bedroefde hoofd.
Uit mijn broekzak haal ik mijn pasjesportemonnee waar ik denk een briefje van vijf in te bewaren. Ik wil het meisje te hulp schieten. Bij het doorzoeken van de vakjes zie ik uit mijn ooghoek dat de man voor mij uit zijn broekzak een euro heeft getoverd en die aan de kassajuffrouw overhandigt. ’Betoal dij 75 sint hier mor van’.
‘t Wichtje knikt verlegen dankbaar naar hem en spoedt zich de winkel uit. Als hij zelf aan de beurt is, betaalt hij zijn bierblikjes met zijn laatste kleingeld. Hij houdt nog net de 25 cent over van de euro voor het meisje.
Vol bewondering en ontroering staar ik hem na. ‘Wat laif hè’, zegt de kassajuffrouw. Ik kan het alleen maar beamen. Zoveel goedheid van een mens met weinig geld die een klein meisje, wiens ouders ook niks te makken hebben, te hulp schiet. Ik vind het zo mooi dat de ontroering in het loopje naar mijn moeder in het lijf blijft zitten.
Tegelijkertijd bekruipt me een onbevredigd gevoel. Ik wou dat ik het meisje had kunnen helpen. Ik wou die man zijn, die haar uit de brand hielp. Waar dat gevoel vandaan komt? Van Zuid-Afrika. Beter gezegd: De reis naar Zuid-Afrika. Met klimaatgoeroe Harry en mijn oudste tweelingbroer maakten we een roadtrip door de Westkaap, grotendeels over de veel genomen Tuinroute.
Stuurman Harry stuurde ons niet over geijkte paden. Dat leverde behalve schitterende vergezichten, bergpassen, wilde natuur, bosbranden, een tikkie boze boeven, honderden kilometers aan appelbomen en wijnranken, schrijnende armoede, voedende baviaanmoeders, overstekende schildpadden, een buurtende leeuwin, ook een lekke band op.
Een van de etappes ging van wijnproefparadijs Franschhoek naar struisvogelmekka Oudtshoorn. Ook hier stuurde Harry ons over de toeristische route van de toeristische Tuinroute. Tientallen kilometers over grove gravelwegen door de Afrikaanse prairie waar je niemand tegenkomt en geen huis te vinden is.
Dat er dan een lampje in het dashboard gaat branden met de mededeling ‘controleer uw bandenspanning’, kan geen verrassing zijn. Dat die band niet heel erg zacht is maar lek in the middle of nowhere is ronduit kloten. In deze woestenij was ondanks twee dappere pogingen geen pechhulp beschikbaar.
Harry stuurde met lekke band en al gewoon door. Ruim 20 kilometer met 50 kilometer per uur hobbel de bobbel en met samengeknepen billen naar het dichtstbijzijnde stadje. In dit geval Robertson.
Bij het eerste het beste tankstation zagen en hoorden de pompbediendes ons al van ver aankomen. We stonden nog niet stil of drie zwarte mannen in overall schoten ons te hulp. De band werd opgepompt en liep net zo snel weer leeg. Ze verwezen ons naar de bandenshop van Gelderbloms even verderop. Die was zaterdagsmiddags gesloten kwamen wij heel snel achter.
Om de hoek van de bandenwinkel zat nog een tankstation. De zwarte pompbediendes stonden ook hier te popelen om ons te helpen. Een van de mannen had het privénummer van eigenaar Gelderbloms van bandenshop Gelderbloms en belde. ‘He’s here in five minutes’.
In het wachten op de Afrikaanse bandenkoning liep ik dorstig de shop van het tankstation binnen. Achter de balie zat een zwart meisje van een jaar of 15 met een lachend en vriendelijk gezicht. Bij het afrekenen zag ik op haar naambordje dat ze Malaika heette. Ik moest voor drie flesjes water 1,20 rand (60 eurocent) betalen. Ik had alleen een munt van 1 rand en een biljet van 100 rand met het gezicht van Nelson Mandela (50 euro).
‘Give me the coin’, gebood ze mij de munt van 1 rand te geven. Uit een potje pakte ze 20 cent en deed die met de 1 rand munt in de kassa. ‘Dankie (bedankt)’, zei ze en wenste mij ‘good luck ‘met de ‘tyres’ en een hele mooie reis. Pas veel later met gerepareerde achterband midden in de woestijn bij Ronnie’s Sexshop ,wat geen seksshop is maar een kroeg, besefte ik wat er gebeurd was.
Zij, dat arm Afrikaanse wichtje van vijftien, had van haar eigen geld en dat is daar bitter bitter weinig, 20 cent uit haar fooienpot bijgelegd om mijn flesjes water te betalen. En dan ook nog tegen mij ‘Dankie’ zeggen. Een man die geld genoeg heeft om dik twee weken door Afrika te kunnen reizen.
In de hitte van de woestijn schoot het schaamrood me op de kaken. Ik had heel simpel kunnen zeggen dat ik heel simpel met de pinpas kon betalen. Zij ook, maar dat deed ze net als ik niet. Wat een engel. Het schuldgevoel is kennelijk nog niet weg anders had ik dit waarschijnlijk niet geschreven. Ik heb dus wat goed te maken. Al is het alleen maar voor Malaika.
Erik Hulsegge
PS Bij het schrijven van dit verhaal kom ik erachter dat de naam Malaika uit het Swahili komt en engel betekent.
(De columns van Erik Hulsegge op bert-koster.nl worden u aangeboden door Klimaatgroep Holland uit Groningen! www.klimaatgroepholland.nl)