Ik voel eerst een voorzichtige poot in mijn gezicht en dan een snuffelende snuit in mijn oor. Pipo, zonder O, de langoorhond wil dat ik wakker word en dat is niet voor de gezelligheid. Onze trouwe viervoeter heeft de trouw zo uitgelegd dat ze ons ook ’s nachts volgt. Dat wil zeggen: bij ons op het bed ligt en immer op mijn enkels.
Het is zaterdagmorgen, buiten is het pikkedonker en stil. Ik draai me om, de hond ontwijkend om terug te keren in mijn slaap. Pipo laat zich in haar honger naar het brokjesontbijt niet afschepen. Een hondenpoot trekt zachtjes de deken van mijn schouder. Mientje knort ondertussen verder alsof Pipo en ik niet op de wereld zijn.
Zuchtend tik ik op de tast het ‘touchbedlampje’ op het nachtkastje aan. Pipo staat in het lampjeslicht al piepend en staartzwiebelend van blijdschap naast het bed. Slaapdronken en geen idee hoe laat het is, daal ik omzichtig de trap af. Beneden staat al een hond met blije ogen te wachten.
Binnen twaalf seconden zijn de dure merkbrokjes verdwenen in de maag van Pipo. Na de waterbak in eenzelfde tempo leeg te hebben geklokt, loopt ze naar de achterdeur voor het ochtendplasje op het donker gazon. Ook dat privilege heeft Pipo zich weten toe te eigenen.
‘Nee hè’, kreun ik bij haar terugkomst. Ik ben in mijn slaapdronkenschap vergeten dat Pipo de rode vlag heeft gehesen omdat opoe op bezoek is gekomen en dus haar ‘loopsbroekje’ met inlegkruisje nog aan heeft. En dat die nu dus kletsnat van de hondenzeik is. Er zit niks anders op dan een verschoning, zodat Mientje geen weet krijgt van mijn vergeetachtigheid.
Gelukkig ligt er nog een schoon broekje in de la. En als ik een kwartier later – na een worstelpartij met loopsbroekje en hond – terugkeer in bed en Pipo verschoond op mijn enkels ligt, ben ik klaarwakker.
Ik zoek mijn telefoon op het overvolle nachtkastje om erachter te komen hoe laat het is en of ik er al uit moet. Er liggen zeker tien boeken op een stapel met Minnesota van Jo Nesbö als bovenste. Daar weer bovenop een telefoonlader, een zo goed als leeg flesje appelsap en een digitale koortsmeter. Ernaast ligt een strip met nog vier Strepsils erin, een flesje hoestdrank en een verkreukeld keukenpapiertje gebruikt als zakdoek. Achter het lampje nog een groene flacon Weleda, een Duits middeltje tegen spierpijn en een buisje Toco-Tholin.
Een nachtkastje symptomatisch voor een jaar vol lichamelijk ongemak. Nee, 2025 was niet mijn jaar. Ik had er nog nooit van gehoord, maar iemand die er verstand van heeft, vertelde dat ik het Piriformis Syndroom heb. Het klinkt onheilspellend en je wil het ook zeker niet hebben.
Piriformis Syndroom is een soort ischias. Een heftige zenuwpijn vanuit de heup en bil die uitstraalt naar je been. En het minste is: Je krijgt het heel slecht genezen. En ik kan je vertellen, dat vreet. Dat vreet aan je gestel en aan je gemoed.
Daar bovenop, of misschien wel dankzij, kreeg ik enkele weken geleden ook nog de griep. De Telegraaf sprak van een supergriep die door het land waart. Nou, de krant van Wakker Nederland weet van overdrijven maar nu niet. Ik heb de supergriep aan den lijve ondervonden. Met een gekneusde rib door het hoesten tot gevolg.
Tot overmaat van ramp moest mijn moeder tijdens mijn ziekte met ernstige rugklachten worden opgenomen in het ziekenhuis. Daar trokken ze de conclusie dat het onwillige rugspieren zijn en werd ze naar een revalidatiecentrum in Delfzijl gestuurd. Daar zit ze nog steeds en ook tijdens de feestdagen nog met messtekende pijnen in de onderrug.
Ik moet denken aan de vrouw met rollator in Pekela. Dagelijks schuifelt ze voorbij het gemeentehuis. En als ze mij ziet, is ze altijd in voor een praatje. Zijzelf, haar hele gezin en familie kende een onophoudelijke reeks aan medische tegenslag. Zware regenslag ook. ‘Hou kint wel’, was haar treurige conclusie. Als klap op de vuurpijl moest haar man ook nog naar het verpleegtehuis. Ze vreesde dat hij met de feestdagen daar zou moeten blijven.
Uit het niets knapte haar echtgenoot zienderogen op. ‘En hai is weer thoes’, verkondigde ze met vochtige ogen. ‘Aarns is der altied wel weer licht in t duuster’, zei ze en voegde er – mij met een ernstige blik aankijkend – aan toe: ‘Gezondhaid is de aldergrootste riekdom’.
Op mijn nachtkastje ligt dus van alles maar geen telefoon. Ik voel met mijn hand eronder en stuit op een papiertje. Met dik gedrukte zwarte hoofdletters staat linksboven op het formuliertje DICE GAME met in de rechterbovenhoek twee zwarte dobbelstenen.
Het duurt even voor het kwartje valt. Vlieland, schiet door mijn hoofd. Het was de tweede keer in mijn leven dat ik mijn verjaardag vierde met mijn tweelingbroer. En met mijn neefje en de vrouwen hadden we met z’n zessen een huisje met rieten dak gehuurd in de duinen van Vlieland. In de verte, in een waterig zonnetje ruiste de zee en krijsten de meeuwen. De idyllische omgeving en het aangenaam gezelschap konden de helse pijnen in mijn been niet verdrijven.
De avond van onze verjaardag speelden we spelletjes aan de grote tafel in de woonkamer van het vakantiehuisje. Chipje, blokje kaas, worstje, wijntje, biertje en Yahtzee waren de ingrediënten van ons verjaardagsfeest. Voor wie Yahtzee niet kent. Met vijf dobbelstenen moet je om en om in drie gooibeurten diverse scores gooien in de lijn van poker: full house, four of a kind enz. Wie de meeste scores heeft kunnen gooien is de winnaar. De hoogste score is Yahtzee. Dan heb je bijvoorbeeld vijf zessen of vijf vieren gegooid.
Dat gebeurt niet zo vaak, maar als je het gooit krijg je vijftig punten. En als je twee keer Yahtzee gooit, wat bijna nooit gebeurt, krijg je een bonus van honderd punten.
In deze donkere tijd van pijn was er, op mijn verjaardag, toch een lichtpuntje. Ik kan beter zeggen: zes lichtflitsen. Want je gelooft het niet: Ik gooide in één game zes keer Yahtzee, zes keer vijf gelijken en zelfs twee keer in één worp.
Stel je dat eens voor. Once in a lifetime. Ook mijn speelgenoten vielen de ogen uit de kassen. Bij iedere worp staarden ze met ongeloof naar de dobbelstenen, alsof ze betoverd waren. Die ene game haalde ik een score van 758 punten. 258 gewone punten en 500 bonuspunten. Dat doe ik – en anderen waarschijnlijk ook niet – nooit meer na.
Even was ik toen de pijn in mijn been vergeten. Het bewijs, de scorekaart, had ik nu in mijn handen.
Ik tik het bedlampje weer uit om nog iets van slaap te pakken. Ik zie lichtschijnsel aan de achterkant van het bed. Mijn telefoon, denk ik, en steek mijn hand tussen het matras en de achterkant van het bed. Mijn vingers raken het apparaatje dat vervolgens met een klap op de grond onder het bed valt.
‘Man, man, wat hest wel?’ Mientje is kennelijk wakker geworden van het lawaai. ‘Moak toch nait zoveul rebullie. t Is nog maar tien over vaare. Nem doe mor n veurbeeld aan Pipo. Dij slept ook gewoon lekker deur……’
Vrolijk Kerstfeest en alvast een heel gezond 2026!
Erik Hulsegge
(De columns van Erik Hulsegge op bert-koster.nl worden u aangeboden door Klimaatgroep Holland uit Groningen! www.klimaatgroepholland.nl)