Rond 2005 liep ik een poosje op met Rikus. Rikus aan de Zaagmuldersweg. Eén hoog, op de hoek. Een middelbare man die aan een paar woorden genoeg had. Met een bedachtzame stem en dito tred. Wollen trui, spijkerbroek, pantoffels.
Een woonkamer met alleen het hoognodige. Gestucte muren, een schommelstoel, kleine tv. Kale wanden met het portret van een jonge zigeunerin. Op een tafel in de hoek in een rijtje uitgestald de doosjes medicijnen, de bijna lege strip lag in het zicht.
Op de opleiding leerden we ‘praten over schijnbaar niets’. Er was een Engelse term voor, ik weet niet meer hoe deze luidde. Praten over iets dat bindt, over iets ogenschijnlijk kleins dat toch veel betekenis heeft en informatie geeft. Dat ervoor zorgt dat je weer terug mag komen.
Zo leerde ik Rikus beetje bij beetje kennen. Dat hij een keer in Duitsland was geweest als bijrijder op de vrachtwagen. Dat hij als jonge jongen met kameraden de wijk introk. Maar vooral over de supermarkt, drie straten verderop. Hoe vaak hij ging, het tijdstip, de aanbiedingen. Dat de supermarkt een nieuwe naam kreeg. Een grappig voorval bij de kassa.
Door de supermarktverhaaltjes wist ik dat hij zich redde: hij kwam de deur uit, zorgde voor zichzelf, kookte. De jaren verstreken. Eens per twee weken belde ik aan. Alle keren ging de deur open. ‘Moi Rikus.’ ‘Moi Ursula.’ Hij bleek een onbekende kant te hebben. Een buurman sprak me buiten aan, of ik wist dat Rikus mooi gitaar kon spelen, akoestisch nog wel, op zomeravonden op het balkon.
In een decembermaand verraste hij me. Hij vertelde iets te hebben gekregen van de kassière en stond op uit de schommelstoel. Een zebra met rood mutsje. ‘Voor jou.’ Als ik vandaag de dag door de Zaagmuldersweg fiets gaat mijn blik automatisch naar Rikus’ woning. Zijn witte lamellen hangen daar niet meer, er hangen nu gordijnen. In mijn kerstboom nog altijd de zebra met het rode mutsje.