De oudere vrouw legt stoofpeertjes en appels op tafel. Ze heeft een Gronings accent. Het regenkapje zit strak om haar gezicht gestrikt. Met haar ronde, rode wangetjes heeft ze iets weg van een boerinnetje. Het soort vrouw dat in actie komt wanneer ergens zorg nodig is.
Het voormalig hotel aan de ringweg werd asielzoekerscentrum. Twee jonge vrouwen, medewerksters of stagiaires, nemen het fruit blij aan. ‘Dit wordt zeker gewaardeerd.’
Ik vervolg mijn pad door smalle gangen met lage plafonds. Donker, vochtig, smoezelig. Een voorlopige, onzekere sfeer. Twee vrouwen zijn aan het kokkerellen. Ze groeten zacht. Verderop een deur halfopen, twee stapelbedden, een jong gezin maakt aanstalten om aan de dag te beginnen.
In het laatste kamertje, met afmetingen en uitstraling van een opberghok zit een jonge Afrikaanse vrouw met opgetrokken knieën op haar bed. Een meisje nog, met een kort kapsel en een jongensachtig gezicht. Met vraagtekens die om haar heen cirkelen; wanneer is ze geboren, wat is haar achtergrond, wat is haar verhaal.
De weinige bezittingen uitgestald op het nachtkastje. Slapen lukt niet, dag en nacht gaan in elkaar over. Ik wil haar opfleuren en laat een foto van de jongens thuis zien. ‘They are awesome.’ Ze lacht breeduit.
In de zomer een snikhete dag, de mussen vallen van het dak. Nauwelijks zuurstof in het kamertje. Ik vraag haar of ze van zwemmen houdt, denkend aan haar leeftijdsgenoten en wat die nu doen. Een onhandige vraag besef ik me op datzelfde moment, ze ziet het als een uitnodiging.
Een eindje zuidwaarts woont Namir. Met vrouw en zoons in een portiekwoning in De Wijert. Namir werkte in Syrië als docent Engels en als kok, in Groningen bezorgt hij kranten. Zijn vrouw vindt een baan in de thuiszorg. Met de tienerzoons, twee leuke jongens, gaat het goed. Ik ontvang een feestelijke uitnodiging om te vieren dat er eindelijk zekerheid is. Tijdje later opnieuw een blijde invitatie; de opening van zijn eigen eetcafé.
Hij vertelt grijnzend hoe hij tussen twee vrouwen moet schipperen, zijn vrouw, met moderne opvattingen, zijn moeder met haar traditionele blik. De keer dat ik langskom en hij ziet dat ik moe ben. ‘Kom gauw verder, ik maak je een omelet.’ Een ontzettend aardige man.
Net zo aardig is Amin, geboren in Iran, die bij het spoor woont. Die natuurkunde studeerde in Groningen, we zijn gelijke oud ontdekken we, als begintwintigers bezochten we dezelfde kroegen in de Poelestraat. Die nu practica verzorgt bij natuurkundelessen op een MBO-opleiding. Lachend: ‘Prachtig om te doen, maar na zo’n middag ben ik helemaal op’.
Hij vertelt hoe hij als kleine jongen noodgedwongen tussenpersoon was tussen het gezin en de buitenwereld. De tragiek van het slimme kind. Die tolkte, regelde, het papierwerk op zich nam. Een kind met te veel aan het hoofd. ‘Daarom heb ik nog altijd zo’n afkeer van administratie.’ Met een terugkerende droom waarin hij zichzelf ziet als baby met het hoofd van een oude man.