Met veel plezier denk ik terug aan de bezoekjes aan mijn opa’s en oma’s. Ik verlang dan terug naar de tijd dat er voor me gezorgd werd. Vijfentwintig jaar geleden ging de laatste oma hemelen, ik was in verwachting van de oudste. Ik heb die wekelijkse bezoekjes nooit als verplichting ervaren, maar als warm en vanzelfsprekend. Ik vleide me neer op de bank, mijn voeten in de vloerbedekking en liet me graag bedienen. Ik mocht ook zelf in de kast kijken of daar lekkers lag.
Toen ik goed en wel uit het ei gekropen was waren zij zeventigers. Hun leven voltrok zich in en om het huis. Ik heb geen herinnering ooit met ze op stap te zijn geweest. Ze stonden niet bij sport of schooluitvoering, dat was toen niet zo. Trouwdagen met ronde getallen werden wel buitenshuis gevierd. Bij Santanera in Godlinze, waar wij als kleinkinderen zwierden in een draaimolentje tussen het marmer. Of bij Spoorzicht in Loppersum, eerst kegelen, dan in een lange rij aan tafel met schnitzels en patat. Standaard slotakkoord was dat twee neven op het podium klommen en tot grote hilariteit schuine moppen tapten.
De grootouders gingen bij elkaar op visite. Visietjen. Beiden middenstanders, dat schepte een band en gespreksstof. Ik luistervinkte dat je niet kon maken om met een plastic tas van een concurrerende winkel uit een naburig dorp de winkel binnen te komen. Op verjaardagen kreeg ik een vast bedragje dat direct naar de spaarrekening ging. Bij rapporten was er een gulden en een reep Verkade.
De ene oma had voor me gebeden bij een sollicitatie, de andere oma noteerde mijn diensten in de zorg en vroeg zich af ‘hoe dat dan met eten moest’. Als ik bij haar was en genoot van de uitgebreide verse maaltijd, deed ik haar geen groter plezier dan een tweede keer opscheppen. Ze prees me over zaken (eten, fietsen, langskomen) die geen verdienste zijn maar voortkomen uit het goed met je voorhebben.
Na hun zestigste begonnen zij te reizen. Busreizen met Oad naar de Italiaanse Rivièra en Zwitserland. In de fotoboeken grofkorrelige kiekjes waarop ze poseren voor de bus, naast de buschauffeur, de oma’s in bloemetjesjurken, met hoedjes, de opa’s in een bruine bandplooibroek met overhemd. Ze zien er gelukkig uit.
Een verschil met nu. Mijn ouders kropen in een vliegmachine naar Curaçao om hun kleinzoon tijdens zijn stage gedag te zeggen. ‘Moi opa’s grote jong.’ Terwijl opa in oranje zwembroek in het water plonsde en oma voorzichtig door het ondiepe houvast zocht, werd zij begroet door een Antilliaans meisje met een hoge vlecht: ‘Dag Oma’. Ook voor dit onbekende meisje was zij kennelijk een oma.
Mijn ene oma zat graag op haar stoel tv te kijken. Op tafel lag de NCRV-gids. Met een gele markeerstift maakte ze duidelijk wat ze die avond ging kijken. Ze had een pijnlijke heup waar ze overheen wreef. De andere oma was trots op haar chrysanten. Op een foto geeft ze de bloemen water, krulspelden in het haar, ze draagt een strak korset. De ene opa kwam op zondag bij mijn ouders, dronk een borreltje en praatte over politiek. De andere opa mocht graag een middagdutje doen en stapvoets rijden in zijn groene Daf. Op de foto dat hij aan het grasmaaien is, kijkt hij heel blij.
Als ik aan het viertal denk of hun laatste rustplaats bezoek, zijn ze voor mij nog steeds aanwezig. Ook voel ik, het gaat verder dan hopen of denken het te weten, dat ze ergens zijn waar ze het goed hebben. Opa is daar nog steeds aan het grasmaaien.