Bij de Molen
Knis Beheer
KOOZAA
Huitsing & Poort
Hotel 't Gemeentehuis
De Kleine Munt

Wim van Heuveln, mijn MAVO-tijd.

Zoals veel Middelstummer jeugd ging ik, na een overigens geweldig zesde klas jaar op de Wicher Zitsemaschool, naar de MAVO. Mocht je op de lagere school alleen op de fiets komen als je buiten het dorp woonde, hier kon je fiets gewoon mee. Ik hoor een tweedejaars nog zeggen, “die eersteklazzers, eerst kom’n ze allemoal lopend!”.

Was het de eerste week nog wennen aan de lokalen, de tweede week ging dat soepeler en al gauw raakte je gewend aan de boekentas en het huiswerk. Boeken…één van de belangrijkste (en vervelendste) regels: vergat je er eentje, dan moest je vrijdagmiddag terugkomen. Na acht jaar lang van een vrije woensdagmiddag te hebben genoten, werd dat voortaan de vrijdagmiddag. Tenzij je een boek vergat dus….

De leraren raakte je al snel aan vertrouwd. Zoals leraar Nederlands dhr. Abbring eens zei, “je weet precies hoe ver je bij iedereen kunt gaan”. Een moeilijk woord vragen had geen zin, dan zei hij steevast, “Ik ben geen wandelend woordenboek”. Dat hij dat woordenboek goed kende, bleek later wel: ik hield vol dat een bepaald woord er niet in stond, nam een wedje aan om de bekende reep chocola met nootjes, waarna ik naar voren moest komen en dhr. Abbring vrijwel meteen het bewuste woord aanwees terwijl hij zei, “en wat staat daar dan?” Luid gelach uit de klas was onmiddellijk mijn deel.

Geschiedenis vond ik het minst leuke vak. Het werd gegeven door dhr. Papenborg, die er een gewoonte van maakte om wandelend door de klas zich luidop af te vragen “welk slachtoffer” hij zou uitkiezen om mondeling te overhoren. En bij elk antwoord, of dat nu goed of fout was, diegene even streng aan te kijken alvorens te reageren.

Als er eens een leraar ziek was, dan kwam de directeur dhr. Roelevink soms langs om de roosterwijziging mee te delen. Omdat we wisten dat dat een vrij uur opleverde, keken we dan altijd heel vrolijk. “Nou kom ik hier vertellen dat er iemand ziek is en ze lachen erbij, vreemd hè”, zei hij dan tegen de leraar.

Als het langer van tevoren bekend was, stond het op het mededelingenbord. Daar werd dan ook regelmatig even op gekeken. Indien het ‘s winters had gevroren kwam daar als het ijs dik genoeg was, ook op te staan “je mag op de schoolgracht”. Een ware run naar buiten was dan het gevolg……

Engels werd gegeven door dhr. Mulder. Een leuke man waar vrijwel iedereen het goed mee kon vinden. Maar als je een serie foute antwoorden gaf bij een mondeling, dan zei hij op den duur, “daar koop ik niets voor”. Engels kon ik best redelijk goed, totdat in het derde jaar luistertoetsen op het programma stonden. Toen heb ik een aantal forse onvoldoendes gehaald. Maar dhr. Mulder bleek opnieuw de beroerdste niet: je mocht een cassette mee naar huis nemen om zo extra te oefenen. Daar maakte ik dus maar gebruik van.

Biologie en Duits werden gegeven door dhr. Koops, die ons later ook aardrijkskunde gaf. Een lange man die bovendien veel wist. Op een gegeven moment kregen we bij Duits een opdracht spreekvaardigheid. Om je op weg te helpen bij het voorbereiden stond achter in het lokaal een grote bak kaarten met de meest uiteenlopende onderwerpen. Voetbal, dans en nog een heleboel meer. Het was de bedoeling dat je daar twee weken van tevoren een kaart uitkoos, waarmee je je opdracht voor kon bereiden.

Op een dinsdagmiddag vroeg ik na de les of ik in de bak mocht kijken. Dat kon, op de vraag wanneer het mijn beurt was zei ik “vrijdag”. Hij dacht dat ik de week erop bedoelde, maar ik zei, “nee, déze vrijdag”. Toen werd hij nijdig en zei zelfs “koekebakker” tegen mij, een woord dat hij vaker in de klas gebruikte tegen iemand die zich niet netjes gedroeg. Ik moest gauw goed mijn best doen met voorbereiden. Maar ik had het onderwerp “camping” gekozen en daar wij altijd gingen kamperen kon ik hierover van alles vertellen en scoorde een acht.

Mevrouw Raphaëla gaf Frans. Hoewel de meesten het niet het leukste vak vonden was het best te doen. Als je je weer eens vergiste bij een lidwoord met un en une, dan zei ze altijd: “het moet geen un zijn maar une want het is een vrouwtje”. In Frans (en geschiedenis) deed overigens niemand van mijn jaar examen.

De leukste vakken vond ik wis-, schei-, en natuurkunde. Daarop scoorde ik net als jij steevast achten of hoger. Toen we in het vierde jaar aankwamen kregen we tentamens. Scheikunde was het enige vak waarvan je al vóór de herfstvakantie de eerste twee tentamens kreeg. Nu waren er meer goede leerlingen: Wim Blanken, Johan de Hek en Arjan Zondag waren met mij de fanatieksten in de exacte vakken.

Op die eerste twee tentamens haalden zij alle drie een cijfer boven de negen, terwijl ik een 8,9 en een 8,6 kreeg. Dat zat mij niet lekker en voor het derde tentamen deed ik dan ook extra mijn best. Ik weet nog dat dhr. De Graaff daarvan de cijfers oplas. Eerst een naam en meteen daarna het cijfer. Na het noemen van mijn naam wachtte hij even en zei toen “een tien”.

Later in het jaar, toen we het laatste tentamen wiskunde net gemaakt hadden, kreeg ik discussie met Johan de Hek over het antwoord op één van de sommen. We kwamen er niet uit. Totdat later de cijfers bekend werden en ik een tien scoorde. De uitwerkingen kreeg je namelijk niet terug en zo wist je dus ook niet wat er fout was, maar in de pauze zei Johan tegen mij: “Van Heuveln, nou moet je mij toch eens zeggen hoe jij die som hebt aangepakt want jij had ‘m dus goed!”.

Met zeven vakken slaagde ik voor het examen. Aan dhr. De Graaff heb ik later nog vaak teruggedacht. Hij had gezegd, als je naar de HAVO ging werden alle cijfers een punt lager. Twee jaar later kwam dat bij mij voor alle drie de exacte vakken precies uit!

Bert Koster
Middelstum
info@bert-koster.nl
bertkoster1@gmail.com
www.bert-koster.nl
06-51715098
0595-552405
KvK nummer: 57250278
BTW nummer: NL001445322B69