Bij de Molen
KOOZAA
De Kleine Munt
Notaris Huitsing
Hotel 't Gemeentehuis

Een weekje met de commando’s 1996

(Uit mijn diensttijd)

(Van superdip naar euforie)
Een stoer dienstverhaal heeft eigenlijk weinig met voetballen te maken. Toch wil ik graag mijn ervaringen over een weekje bikkelen met de commando’s schriftelijk aan jullie overdragen. Ten eerste houdt het mij weer een avondje weg uit de onderdeelsbar (die ik toch al zo weinig zie) en ten tweede geeft het onze jeugdspelers die militaire dienst moeten missen de kans om te lezen wat ze nu precies moeten missen. Geroutineerde oud-strijders binnen onze vereniging kunnen oude herinneringen ophalen en de illusie krijgen dat het vroeger natuurlijk veel zwaarder was. Tevens geeft het mij de gelegenheid om te bewijzen dat het legerleven, hoe leeg dan ook, meer biedt dan alleen maar zuipen en lanterfanten. Misschien is een weekje commando spelen ook een activiteit die de activiteitencommissie voor de senioren zou kunnen organiseren als alternatief voor een survivaltocht. Ondergetekende meldt zich echter bij voorbaat af…..

In het begin van dit jaar kreeg ik het jaarprogramma van ons onderdeel onder ogen. Voor eind maart stond een KCT-training van een week op het menu. Nieuwsgierig geworden vroeg ik waar dit wel niet voor stond. De woorden Korps Commando Training deden mijn hartslag snel toenemen. Sinds mijn eerste week militaire dienst heb ik een trauma overgehouden aan oefeningen. Op de opkomstdag werd je direct in het veld geschopt alwaar een oud Groninger sergeant ons ego aan flarden schold.

Eigenlijk had ik dus voor de KCT-training een weekje griep in gedachten. Toen ik de week voorafgaande aan de oefening thuis kwam waren mijn ouders reeds geveld door de griep. Kat in het bakkie dacht ik maar waarschijnlijk bouw je in het leger zoveel weerstand op dat zelfs dit gegeven mijn immuunsysteem niet kon aantasten. Even overwoog ik om in de nacht van zaterdag op zondag tussen hen in te gaan liggen maar dit ging zelfs mij te ver…..

Zondagmiddag, 24-maart, 16.15 stapte ik dan ook met frisse tegenzin in lijn 61 naar Groningen om vandaar met de trein verder te reizen. Kilometers spoor schieten onder mij door en een miezerig regentje doet mij langzaam maar heel zeker wegglijden in een super-dip (die Meeuwis had ook eens in dienst moeten gaan dan had hij ervaren dat je echt niet altijd opgewonden wordt van zo’n treinreisje). Om 21.00 uur verschijn ik op appel alwaar de opkomst mij positief verrast. Het moraal stijgt en samen zullen we het vast wel rooien….

Maandagmorgen stappen wij om 07.30 in een luxe touring bus die ons zal vervoeren naar Roosendaal, het lustoord voor de moderne commando. In de bus heerst een ietwat bedrukte stemming die alleen door de muziek van Gordon enigszins verbroken wordt. Om 11.00 uur bereiken wij onze eindbestemming alwaar een groep kaalgeschoren commando’s ons al grijnzend opwacht. Allereerst wordt onze bepakking gecontroleerd en van alle overtollige luxe (marsen, snickers e.d.) ontdaan. “Die mietjes denken zeker dat ze een weekje gaan kamperen”, brult sergeant 1 de Rooij die deze week zonder concurrentie bovenaan zal eindigen in de iri-top 10.

De rest van de dag stond in het teken van het opbouwen van je eigen hutje, het sprokkelen van hout, het schillen van aardappelen, het maken van een oventje en het maken van een vuurtje. Genietend van een zanderig avondmaal moesten wij bekennen dat het allemaal nog wel meeviel. ‘s Nachts tijdens het wachtlopen moest je het vuurtje in je hutje brandende houden wat met temperaturen om en nabij het vriespunt geen overtollige luxe was en water koken omdat het (drink)water wat wij kregen slootwater heette te zijn. Dag 1 zat er gelukkig snel op….

Dinsdagmorgen werden wij om 06.30 wreed in onze slaap gestoord door een paar graspollen zoals commando’s ook wel eens spottend genoemd worden. Tot 08.00 uur hadden wij de tijd voor het wassen, scheren, ontbijten, laarzen poetsen, en geweer schoonmaken protocol. Daarna kregen wij les in het slachten van konijnen (slik). Een van de graspollen kwam met zo’n alleraardigst beestje op de proppen. De kunst was om Ninni eerst rustig te krijgen.

Met een knuppel werd het beestje zachtjes over zijn ruggetje geaaid waarnaar het na een gedecideerde nekslag afscheid nam van het aardse bestaan (het konijntje was het haasje). Vijf minuten later was het kadaver (Nee, niet Pieter Klaver) van zijn vachtje ontdaan en gaf de graspol een imitatie van Bugs Bunny. Vol afgrijzen hadden wij het tafereeltje aanschouwd maar het ergste was dat wij de opgedane kennis ook zelf in praktijk moesten brengen. Tijdens deze les pathonome anatomie kwam ik tot de conclusie dat oud-voorzitter Koops tijdens zijn biologieles gelijk had toen hij opmerkte dat het spijsverteringskanaal van een konijn overeenkomt met dat van een mens.

Een uurtje later was al het leed weer geleden en konden wij ons te goed doen aan een lekker stukje vlees (uiteraard opgesmukt met zand). ‘s Middags werd ons het kaartlezen bijgebracht en om dat eens goed te oefenen moest er maar een lekker eindje gesjouwd worden. Natuurlijk is kaartlezen in het donker veel moeilijker dus ‘s avonds lieten ze ons maar weer lekker een paar uurtjes oefenen. ‘s Nachts weer hetzelfde verhaal van slapen, wachtlopen en slapen. Eigenlijk viel dag twee ook nog wel mee.

De echte ellende begon op dag drie. Op het programma stond een dagje op het kazerneterrein en om dat terrein te bereiken moest er eerst een klein uurtje gemarst worden. Na een lichte warming-up volgde de touwbaan. Daarna wachtte ons de klimtoren die torenhoog boven het kazerneterrein uitstak en die wij ongezekerd moesten beklimmen. De verbluffende logica hierachter was dat wanneer je niet bevestigd was aan een touw je ook niet zo snel de neiging had om los te laten. Deze theorie werd bevestigd toen ik na 20 meter klimmen eens naar beneden keek. Al tokkelend en abseilend bereikte ik de veilige vaste grond.

Een rustpauze werd ons niet gegund want na de klimtoren volgde een andere militaire klassieker: de hiba (voor niet ingewijden het gaat hier om de hindernisbaan). Absoluut hoogtepunt hierbij was de Chinese muur die veel van je armspieren vergde. Sergeant majoor Van Loenen kon met veel pijn en moeite omhoog geheisd worden edoch vlak voordat hij veilig de bovenkant van de muur bereikte kletterde hij van 4 meter hoogte naar beneden. Met een brancard werd hij uit de arena verwijderd en momenteel zit hij nog met rugklachten thuis. Helaas hadden wij de toegestane tijd door dit ongelukje overschreden en de sportcommando merkte op dat wij nog niet klaar met hem waren….

‘s Middags via een omweg weer teruggemarst naar het commandokamp waar zich ook zo`n kolere hiba bevond. Zwetend als een otter probeerde ik de Chinese muur te beklimmen. Na bijna de top te hebben bereik,t gleed ik via het touw naar beneden (bloedblaar 1), helaas mislukte ook poging 2 (bloedblaar 2). Na een uiterste poging en with a little help from my friends bereikten wij uiteindelijk de finish. Natuurlijk was de tijdlimiet niet gehaald en daarop stond maar een straf, net zo lang doorgaan tot je de limiet wel gehaald had (bloedblaar 3). Na een uiterste krachtsinspanning lukte het ons uiteindelijk om de limiet te halen.

Al kokhalzend zakte ik ineen op de grond, volgens mij ben ik zelden zo kapot geweest. Ik strompelde naar de EHBO-post voor enige pleisters maar helaas bemerkte zo’n lullo dat ik mijn geweer niet bij mij had. Al terugstrompelend verwenste ik de militaire krijgsmacht in het algemeen en de commando’s in het bijzonder. Voor mij zakte sergeant Soffers door zijn knieën, voor hem was het over en uit. De gedachte dat vies lekker is en bloed goed en pijn fijn hield mij op de been. Gelukkig had meneer Zaagmans de week in tweeën gezaagd dus waren we al over de helft.

Na een revalidatietijd van enige uren en een stevige maaltijd had het er alle schijn van dat wij ons vroeg ten ruste konden leggen. Helaas brulde onze vriend de Rooij alle vogeltjes weer wakker met de mededeling dat de groepscommandanten bij hem moesten komen. Als toetje/mosterd na de maaltijd had men voor ons nog een speedmars in gedachten. Drie kilometer binnen 21 minuten. Op ons tandvlees en alle reserves aanwendend lukte het ons net om de tijdlimiet te halen. Uitgeput konden wij ons verheugen op een nachtrust van wel 4 uur waar wij 36 uur op moesten teren. Dag 3 was een dag om gauw te vergeten…

Donderdagmorgen werden wij op half vijf (!) gewekt door een vreemde vroege vogel in wie wij de leider van de iri top 10 herkenden. Hij had een half uurtje ochtendgymnastiek voor ons in gedachten. Al huppelend om een boom moesten wij ons bij het commando 1 op onze buik laten vallen, bij commando 2 weer opstaan, bij 3 op onze rug laten vallen, bij 4 weer opstaan enz… De wat oudere beroepsmilitairen van een jaar of veertig voelden zich uiteraard tot op het bot vernederd door onze goede vriend de Rooij. Hierna moesten wij onze met zorg opgebouwde hutje weer afbreken en het gehele terrein cleanen. Hierna volgde een inspectie en natuurlijk deugde er weer helemaal niets. En droog scheren zonder elektriciteit en scheerschuim is pijnlijk mag ik wel even notuleren.

De donderdag was uitgeroepen tot vaardag. Het was koud achterin de viertonner die ons naar Oirschot transporteerde. Ik vond de kou wel gunstig want met zulke lage temperaturen is het natuurlijk onmenselijk om te zwemmen (dacht ik). ‘s Ochtends moesten wij een vlot bouwen en hem daarna op zijn degelijkheid controleren. Onze groep bleef gelukkig droog.

‘s Middags mochten wij drie kilometer peddelen met een reddingboot. Voor de wind deden wij hier ruim een uur over. Door een strakke tegenwind hadden wij op de terugweg na een half uurtje peddelen ongeveer 20 meter afgelegd. Geen probleem dan maar sjouwen over de weg met dat bakbeest dat toch wel zo’n 400 kilogram weegt. Na een uurtje wandelen klaagde luitenant Bos over het feit dat zijn rug bijna gebroken was en hingen twee soldaten uitgeput over de bootrand. Soldaat Scheers die al een mutatie aan zijn schouder had verbeet de opkomende tranen en weigerde op te geven.

Om vijf uur waren wij terug. Lekker eten dacht ik nog maar nee wij moesten ons uitkleden en een drijfpakketje maken. Bij een temperatuur van twee graden boven nul daalde het moraal in elk geval tot onder nul. Met onze ruggen tegen elkaar (genietend van elkaars lichaamswarmte) probeerden wij al bibberend nog enigszins warm te blijven. Als blikken konden doden waren degenen die hun drijfpakketje niet zo snel in orde hadden nu niet meer in ons midden geweest.

Soldaat Tunc, van nature de rust zelve, kreeg een woede-aanval en schopte zijn drijfpakket aan flarden. Volgens het kommando-kader een typisch geval van gevechtsstress. Klappertandend stonden wij in het water. Soldaat Lenzen kreeg een woede-uitbarsting van zijn collega’s over zich heen omdat hij weigerde het water in te gaan. Uiteindelijk besloot hij toch maar de sprong in het diepe te wagen waarna hij na enige meters bevangen werd door de kou (afvoeren die hap). Helaas vertoonde mijn drijfpakketje een lekkage en begon het ook nog eens te regenen en dat met de eindoefening nog voor de kiezen.

Voor de eindoefening werden wij weer achterin de viertonner gepropt en enige kilometers verderop ergens in de bush-bush gedumpt. Ons restte nog maar één opdracht: sjouwen, sjouwen en nog eens sjouwen. Tegen half tien begon de ellende. In een visioen zag ik Vlek en vrienden richting de Middelstummer kantinebar lopen voor een slagje bier. Lucky guys. Zo tegen drie uur ‘s nachts begin je dan te hallucineren en dingen te zien die er niet zijn. Je loopt en slaapt in feite tegelijk en af en toe krijg je een welkome adrenaline-stoot wanneer je je nek bijna breekt over een boomstronk.

Tegen zes uur ‘s morgens werden wij “overvallen” waarbij iemand “zwaargewond” raakte. Met behulp van 2 loodzware boomstammen en wat jassen werd een brancard gemaakt waarop de gelukkige mocht plaatsnemen. Natuurlijk bleek dit net de zwaarste en grootste persoon in ons midden te zijn. Commando Edje liep achter ons aan te sarren en deelde ons en passant mee dat wanneer wij de gewonde lieten vallen wij weer vrolijk opnieuw konden beginnen.

Soldaat Sligman richtte zijn woede op korporaal Kouwenhoven die een blessure aan zijn knie had. ‘En nou tillen klootzak’. Huzaar Peters bezweek onder het gewicht en reageerde zijn frustraties af met een vuistslag tegen een boom die niet meegaf. Na een uur bereikten wij de ambulance. Uitgeput namen wij plaats achterin de viertonner. Het zat er eindelijk op.

Degenen die alles voltooid hadden kregen een bikkel eerste klas diploma en een dag prestatieverlof. De commando’s hielden nog een toespraak en bleken uiteindelijk toch nog menselijke trekjes te vertonen. Je krijgt door zo’n oefening toch wel waardering en ontzag voor deze mensen die bijvoorbeeld ook drie maanden een oefening moeten draaien onder barre, koude omstandigheden in winters Noorwegen. Stinkend, edoch moe maar voldaan keerden wij in de luxe touring bus terug naar Eibergen. Wat kun je dan een waardering opbrengen voor een doodsimpele douche en een warm bakje koffie.

Wat hebben wij het toch goed in Nederland denk ik ‘s avonds, terwijl ik thuis liggend op de bank lig te zappen en langzaam maar zeker wegglij in een diepe slaap ……

Commando Bertje…

(Gelukkig heb ik alle ontberingen overleeft. Zaterdags binnen de beruchte kalklijnen had tegenstander HZW echter al gauw door waar het gevaar vandaan kwam en een zo’n Hoogeveense houthakker schopte mij reeds na een kwartier uit de wedstrijd. Als bewijs dat je door zo’n weekje strijden daadwerkelijk je pijngrens verlegt huppelde ik nog een half uurtje door. Het is dus aan te bevelen en vergeet niet: Pijn is fijn!?)

Bert Koster
Middelstum
info@bert-koster.nl
bertkoster1@gmail.com
www.bert-koster.nl
06-51715098
0595-552405
KvK nummer: 57250278
BTW nummer: NL 108306987B01