De slaap is er weer eens eerder mee gestopt dan ik wil. Op welke zij ik ook ga liggen, hij gaat er niet weer aan beginnen. Dus stap ik uit bed en met Pipo langoor in mijn kielzog plof ik in de kamer ‘op bankje’.
Pipo zit rechtop naast mij. Haar blik staart door het venster strak op het water achter ons huis. Mijn ogen volgen de ogen van de hond. In de eerste zonnestralen van deze paasmorgen zie ik iets bewegen op het water. Het zijn twee baltsende futen.
Het lijkt alsof de ene fuut met zijn kop de kop van de ander in wil slaan. Alsof ze een privéoorlogje aan het uitvechten zijn. Niets is minder waar. Baltsen is de liefdesdans der futen. Een ongekend liefdesballet op het water. Haast ingestudeerde dansbewegingen met het schudden van de koppen, kopje onder duiken en in ‘pas a deux’ borst aan borst hoog uit het water komen. De futen hebben het meisje versieren verheven tot kunst.
Zo is het, denk ik, als ik dit schitterende schouwspel bewonder en tegelijk op teletekst lees dat Trump op X een oproep doet aan Iran om de schepen voorbij Hormuz te laten; ’Open die verdomde straat jullie gestoorde idioten.’ Leer van de futen. ‘Make love not war’ gaan mijn gedachten verder over deze gek geworden wereld.
Make love not war. In deze tijden van oorlog zou je willen – tegen beter weten in – dat dit internationaal gevleugelde motto navolging zou krijgen. Ik vraag me ineens af wie ‘Make love not war’ heeft bedacht. Net als ik blijkt eigenlijk niemand te weten wie de bedenker is. Alleen de Amerikaanse protestzanger Rod McKuen weet het zeker: het wereldberoemde zinnetje komt uit zijn blonde hoofd.
McKuen kun je kennen van het nummer ‘Soldiers who want to be heroes’ (Rod Mckuen Soldiers Who Want To Be Heroes (1971)). Een aanklacht tegen de Vietnamoorlog. ‘Soldaten die een held willen zijn: bijna nul, maar er zijn miljoenen soldaten die gewoon burger willen zijn’. De meest gezongen zin uit het nummer, dat in 1963 al werd geschreven maar pas in 1971 een hit werd. Een nummer waarin de zinloosheid van een oorlog wordt beschreven.
Je kunt maar beter de liefde bedrijven dan oorlogjes met elkaar uitvechten. Maar wij mensen zijn er kennelijk niet zo goed in om de vrede te bewaren. Ik moet denken aan een jongen en een meisje uit het dorp ander kant meer, een stoere jongen en donders knap wichtje uit begin zestiger jaren van de vorige eeuw.
Op de kleuterschool, wonend in dezelfde straat, waren ze al voor elkaar bestemd, maar ze kregen pas echt verkering toen zij op de huishoudschool zat en hij voor timmerman leerde op de ambachtsschool. Ze had op weg naar school een lekke band gekregen. Lopend met de fiets aan de hand kwam haar een brommer achterop. Het was Geert, de stoere jongen bij haar uit de straat. ‘Lucht aan verkeerde kaande Grietje?’ vroeg hij vanonder zijn helm.
Grietje beaamde het en sip vertelde ze dat ze zo te laat zou komen voor haar SO. (Schriftelijke Overhoring). Geert zou Geert niet zijn of hij wist een oplossing. De fiets met lekke band werd in de ‘slootswal’ geparkeerd, waarna hij haar met de brommer naar de huishoudschool reed. Zij met helm met haar armen om hem heen geslagen achterop. Hij zonder helm en met wapperende blonde haren in de wind voorop.
Terug haalde hij haar van school en reden ze naar de fiets in ‘slootswal’. Bij het teruggeven van de helm door Grietje sloeg de vonk over. De helm zat ietwat onhandig in de weg, maar het ‘snoetjeknovveln’ ging er niet minder om. Twee smoorverliefde tieners in een ‘slootswal’.
De maanden erna waren ze onafscheidelijk, alsof ze samen op de brommer waren geplakt. In het dorp dacht elk dat het niet lang meer zou duren voordat ze zouden gaan verloven. Dat liep anders. Op een dag kregen ze knallende ruzie. Een vriendinnetje van Grietje had Geert gezien met een ander meisje in Stad.
Grietje was furieus en duwde in al haar woestheid per ongeluk zijn brommer om, die met de tank op de stoeprand plofte. Geert, die er niet aan toe kwam om uit te leggen dat het bewuste meisje zijn nichtje was, werd op zijn beurt furieus. Hij duwde haar per ongeluk net iets te hard waardoor zij met haar hoofd tegen een lantaarnpaal viel. Het gevolg was een beste deuk in de brommer van Geert en een bloedende deuk in het hoofd van Grietje.
Daarvan was weer het trieste gevolg dat ze zonder ook maar een woord te wisselen uit elkaar gingen. Het plotselinge en trieste einde van een prille liefde. Het dorp dacht dat het wel weer goed kwam, maar dat kwam het niet.
Zij vertrok naar het buitenland om te werken in een hotel waar ze niet veel later de zoon van de plaatselijke garagehouder aan de haak sloeg, ermee trouwde en twee kinderen kreeg. Hij, van twaalf ambachten dertien ongelukken, kreeg tien verschillende baantjes en scheidde van drie vrouwen en bleef kinderloos.
Zo’n 63 jaar later reed Grietje, net 80 geworden en al jaren terug in haar geboortestreek, in haar vuurrode cabrio weg bij haar huis aan het meer voor een nieuwe verticuteerhark bij de Welkoop. Ze sloeg de bocht om, brug over, waarna ze plotseling een raar geluid hoorde. Tegelijkertijd trok haar stuur hard naar rechts. Lekke band. ‘Mooi kloten’ was haar constatering toen ze uitstapte en probeerde op haar knieën te kijken wat de schade aan de band had veroorzaakt.
Achter haar was een auto gestopt. De bestuurder stond zonder dat ze het had gemerkt achter haar. ‘Lucht aan verkeerde kaande Grietje?’ hoorde ze ineens van boven. Ze herkende de stem uit duizenden. Ze draaide haar hoofd om en keek recht in het lachende gezicht van Geert. ‘Vrede?’ vroeg Geert, waarna ze in lachen uitbarstten.
Nu wonen ze dolgelukkig samen in het huisje aan het meer. Make love not war. Scheelt een heel hoop ellende.
(De columns van Erik Hulsegge op bert-koster.nl worden u aangeboden door Klimaatgroep Holland uit Groningen! www.klimaatgroepholland.nl)