Op veel plekken zie je een beweging die ik zou willen omschrijven als ‘terug naar vroeger’. In de tijd dat mijn opa en oma veertigers waren, kwam het regelmatig voor dat een alleenstaande ouder bij je introk. Mijn opa en oma namen dat ook op zich. Hun gezin met drie kinderen breidde uit met een vader en de jongste ver nagekomen broer van mijn opa. Wat een handreiking.
Ik voel een diep respect voor dit gebaar. Mijn opa en oma hadden al een vol leven. Ze runden een winkel aan huis. Overdag stond mijn oma in de winkel en ’s avonds waren er andere klussen voor het bedrijf. Hetzelfde gold voor mijn opa. De gezinstaken werden tussendoor opgepakt samen met de zorg van een vader en een broer.
Zoveel te doen
Vergelijk dat gebaar van mijn opa en oma met de situatie van nu. Daarbij moet je bedenken dat de omstandigheden heel anders zijn. Gemiddeld worden we steeds ouder. De periode van zorg en aandacht wordt daardoor ook vaak langer. Daar tegenover staat dat onze voorzieningen in huis er flink op vooruit zijn gegaan. Puur qua faciliteiten zou het dus mogelijk moeten zijn. Toch doen we het niet (allemaal). In veel situaties werken beide partners en is er een volle gezinsagenda zowel in huis als daarbuiten. Taken worden verdeeld en we ervaren onszelf als druk. Ook zijn er veel meer eenpersoonshuishoudens. Dat maakt het opnemen van een ouder in huis ook niet eenvoudiger.
Is het genoeg?
Als ik naar mijn eigen omstandigheden kijk, voel ik er -heel eerlijk- ook niet voor om een ouder in huis te nemen. Hoe lief en sympathiek ze ook zijn, en met hoeveel superlatieven in positieve zin ik ze ook zou kunnen beschrijven, ik zie het niet zitten.
Omdat we het volstrekt normaal vinden, regelen we naar ons beste kunnen diverse zaken voor onze ouders. We geven ze tijd en aandacht (wat voor hen nooit te veel is), rijden voor bij medische afspraken en waar nodig ondersteunen we in huis. En dat is echt goed te doen. Maar is het genoeg vraagt dat innerlijke stemmetje vaak in mij. Het staat in geen verhouding tot wat mijn grootouders deden. Dus voor mij gaat die vlieger ‘terug naar vroeger’ niet helemaal op.
Het begint met een inschrijving
‘Terug naar toen’, kan ook anders worden ingevuld. De wereld om ons heen verandert voortdurend en gelukkig beweegt de samenleving daarin mee. Zo ontstaan kleine, spontane bewegingen en initiatieven. In wijken, straten en dorpen. Opeens staan er mensen op die iets willen betekenen voor een ander. Belangeloos. Door mijn werk ben ik betrokken bij zo’n mooie ontwikkeling in Uithuizermeeden. Daar stond ook iemand op.
En met haar inmiddels meer mensen. Dit team van betrokken inwoners realiseerde in 2025 een dorpsinformatiepunt. Met een vaste openingstijd, een vast gezicht op een centrale plek in het dorp. Je kunt er terecht voor allerlei hulpvragen, je aanbieden als vrijwilliger of zomaar even langsgaan voor een gesprekje. Het team steunt op een ‘vrijwilligersbank’ van bijna 100 betrokken inwoners. Niet iedereen is al actief, maar de bereidheid is er wel. Dat begint met een inschrijving.
Wat kun je zelf nog doen?
Met een flyer en via de dorpskrant werd bekendheid gegeven aan het dorpsinformatiepunt. Heel geleidelijk komen de hulpvragen binnen. Dat mag groeien. Mensen voelen zich soms bezwaard om hulp te vragen maar stappen gelukkig steeds vaker over die drempel. Het is verleidelijk om te denken dat bij een hulpvraag direct een vrijwilliger wordt benaderd. Maar nee. Eerst wordt gekeken naar het eigen netwerk van de hulpvrager. Is er familie? Zijn er buren? Wie komt er jaarlijks op je verjaardag of met wie heb jij bijvoorbeeld contact in je wekelijkse bezoek aan een vereniging?
Deze vragen kun je stellen. Daar kan zomaar een potentiële betrokkene tussen zitten. Ook wordt gekeken naar wat de hulpvrager zelf voor een ander kan betekenen. Niet dat dat per se moet, maar het is een mooie bijvangst als de hulpvrager een keertje lekker kookt voor degene die zijn of haar heg snoeit. Zomaar een voorbeeld. Het mes snijdt bovendien aan twee kanten. De hulpvrager krijgt ondersteuning en ervaart door eigen inzet het gevoel ‘ertoe te doen’.
Geen plannen van bovenaf
Deze initiatieven verbinden de inwoners. Als samenleving moeten we deze initiatieven die bij de mensen in het dorp of in de stadswijk ontstaan, omarmen. Geen opgelegde plannen van bovenaf. Juist niet. Het gaat om wat ontstaat bij de mensen zelf. Wat we al ervaren, is dat mensen hierdoor langer thuis kunnen wonen en hopelijk ook prettiger langer thuis wonen. Ze worden gezien, geholpen en doen er nog toe. Onze overheden herkennen ook deze ontwikkeling en spelen daar geleidelijk op in. Omzien naar elkaar geeft een positieve impuls aan ieders welbevinden.
Red je ermee
En als we naar financiële plaatje kijken: het ontlast de verpleeghuiszorg op de langere termijn. Dat is uiteindelijk ook waar het naartoe moet. Want de professionele, formele zorg heeft het moeilijk. Er is sprake van vergrijzing onder de medewerkers, waardoor er minder beschikbaar personeel is. Tegelijkertijd is er minder financiële steun vanuit de overheid en groeit het aantal hulpbehoevende ouderen. We kunnen nu wel de vinger wijzen naar de zorg en zeggen: red je ermee. Maar als we eerlijk zijn, is dit geen probleem van de zorg alleen. Het is een maatschappelijk vraagstuk. En dat betekent, dat we allemaal aan de bak moeten.
Het kost tijd
Wat in Uithuizermeeden aan het ontstaan is, is op andere plekken al verder doorontwikkeld. In Kolham of in Hollandscheveld zijn dorpsbewoners al zo’n tien jaar op deze wijze met elkaar verweven. Daar is zelfs een wijkteam dat zorgvragen aanneemt en doorverwijst. Door een centrale plek in het dorp krijgen mensen energie en ontstaan ideeën om onderling verbindingen te leggen. In Kolham is er bijvoorbeeld ‘koken door mannen’, een huiskamer en eens per week een soep-en-broodje-lunch. Allemaal spontaan ontstaan en bedoeld om samen te zijn, elkaar te ontmoeten.
Iedereen aan de bak
Denk niet dat dit snel geregeld is. Het moet groeien, het vraagt geduld en doorzettingsvermogen. Ook vraagt het om een brede samenwerking met veel formele en informele partijen als welzijnsorganisaties, gemeenten maar ook de plaatselijke clubs en verenigingen. Je moet het grotere verband zien en wat dat oplevert. Tegenwoordig zijn er veel mogelijkheden om met elkaar in contact te komen. Met Whatsapp is een (groep)contact snel gemaakt.
We zitten in straat- of buurtapps. Dat hoeft niet alleen te gaan over een vermiste kat of een onbekende auto die vaak door de straat rijdt. Het kan ook gaan over een waakzaam oog voor de oudere buurvrouw bij wie de gordijnen niet worden geopend of de afvalcontainer die niet meer aan de weg staat. Het is klein, maar kan veel betekenen. ‘Je bent de eerste die ik vandaag heb gesproken’, een opmerking die ik helaas ook hoor. Het onderstreept hoe klein aandacht hoeft te zijn en hoe groot het verschil kan zijn. In Uithuizermeeden en op veel andere plekken gaan ze vol energie op weg naar een zorgzame samenleving. Dat zou geen uitzondering moeten zijn, maar de norm. Met een rol voor iedereen.
Ineke van Zanten
Januari 2026